Klik hier voor meer foto's van opgezette apen.
Gras is verreweg het meest veelzijdige, meest voorkomende en succesvolste gewas op aarde. Het kent ruim 12.000 soorten die variëren van slechts enkele centimeters tot ruim 35 meter hoogte. Niet alleen de groene mat in een stadion is van gras, ook tarwe, gierst, rijst, bamboe, mais en riet zijn grassoorten. Het is niet overdreven als je stelt dat de opkomst van de moderne menselijke samenleving gelijke tred hield met de cultivatie van gras.



De mooiste grassoort vind ik bamboe. Het is onwaarschijnlijk licht en sterk. Het is tevens één van de meest voorkomende planten in Azië en heeft een gestileerde schoonheid die veel kunstenaars inspireert. Bamboe wordt voor van alles gebruikt, voor bouwconstructies, papier, kleding, houtskool, brandstof, meubels, muziekinstrumenten en zelfs als voedsel. In Azië gebruikt men bamboe ook bij het maken van sommige messen en als jongetje vond ik de verborgen bamboe-messen erg fascinerend. Aan de buitenkant zien ze eruit als een doodgewoon stuk bamboe, maar in de holle stengel zit een mes verborgen. Ik heb altijd al eens zelf zo’n mes willen maken, dus toen ik onlangs een geschikt stuk bamboe kreeg, ben ik er gelijk aan begonnen.
Bamboe is van nature hol en heeft dichte knooppunten. Ik heb een oude gedroogde stengel net buiten de knooppunten van twee segmenten afgezaagd en daarna met een dunne zaag bij het middelste knooppunt in tweeën gezaagd. Ik had nog wat 440C staal liggen waar ik het lemmet uit heb gemaakt. De habaki (de kraag aan de basis van het lemmet) is van een stukje gesoldeerd koperbuis en de seppa (de sluitplaat achter de habaki die het heft afsluit) en de koiguchi (het plaatje in de mond van het heft) zijn beide van gehamerd alpaca. Het lemmet zit met houten wiggen en epoxy in het handvat en wordt in de schede tussen twee houten platen op zijn plek gehouden. Aan de achterkanten van beide plaatjes alpaca zitten magneetjes die ervoor zorgen dat je het mes met een extra rukje uit de schede moet trekken en deze er niet vanzelf uit kan vallen.

Het mes is 34,5 cm lang met een lemmet van 16,5 cm. Het lemmet zelf is 5 mm dik en 23 mm breed. Het mes in de schede is in totaal 35,5 cm lang, heeft een gemiddelde doorsnede van 32 mm en weegt slechts 325 gram. Het bamboe is licht opgeschuurd, met zwarte en bruine inkt gekleurd en met een laag Renaissance-was afgewerkt. De Latijnse naam voor bamboe is Gramen.
Lees ook: Zelfgemaakt mes no. 20 (Suminagashi), 21 (Nasibu) en 22 (Corax), Het gras van de buurman en Het gras aan de overkant.
Klik hier voor meer foto’s van zelfgemaakte messen.
Soms zie je maar een gedeelte van de werkelijkheid, net als bij een ijsberg is dan het grootste deel verborgen. Heel even weet je niet wat je ziet. Zo’n moment duurt meestal niet lang, maar in dat ene moment liggen alle mogelijkheden open. Dan verandert er iets en is het voorbij, het was toch weer iets normaals, iets alledaags. En net als bij een droom na het waken, probeer je krampachtig dat gevoel vast te houden en glipt het toch weer door je vingers.
Lees ook: A trick of the light, Pareidolie in het riet, Dood en de bergeend, Twijfels in het donker, Het oscillogram van een grauwe dag, Kuifeend (Athya fuligula), Water en hout, Staren, Vertraagde pas, De kanalen van Mars en Het hoekje om.
In Palazzo Poggi bevinden zich meerdere aaneengesloten musea. Het imposante gebouw stamt uit de 16e eeuw en is ontworpen door Pellegrino Tibaldi, die zelf ook een aantal van de fresco’s in de kamers heeft geschilderd. Sinds 1803 behoort het tot de universiteit van Bologna.



Buiten het schepen- en cartografische museum vind je in Palazzo Poggi nog een militair architectuurmuseum, een verloskundig museum, een wetenschappelijk museum, een astronomisch museum, een fraaie verzameling Japanse houtsneden, een natuurhistorisch museum, een prachtige bibliotheek en een erg interessant menselijke anatomie-museum.

Dit kleine maar buitengewoon fraaie anatomie museum, Museo di Anatomia Umana, heeft enkele topstukken, waaronder de wereldberoemde “venus met parels”, de venerina van Sussini.
In de bescheiden kamers staan tegen de zijwanden prachtige opstellingen met levensgrote full-figure anatomische modellen en veel kleine detailstukken, zoals oogkassen, schedel- en orgaanfragmenten. De meeste zijn van Anna Morandi (1714-1774) en haar man Giovanni Manzolini (1700-1755). Anna had de techniek geleerd van haar echtgenoot, die zelf weer een assistent van Ercole Lelli was geweest, één van de eerdere meesters van deze kunstvorm. Hoewel Lelli’s werk zich beperkte tot osteologie en myologie (botten en spieren), focusten Morandi en Manzolini zich op de waarnemingsorganen en het urogenitale- en het cardiovasculaire stelsel. Hun wassen zelfportretten kijken nu vanuit twee op sokkels staande vitrines naar de continue langslopende stoet bewonderaars.
Klik hier voor meer foto's van het Museo di Anatomia Umana in Bologna.
Lees ook: Giovanni Antonio Galli en het Museo Ostetrico in Palazzo Poggi in Bologna, Musée de l'écorché d'anatomie in Le Neubourg, Gaetano Zumbo’s wassen hoofd, Anatomische modellen, Clemente Michelangelo Sussini en Venerina in Palazzo Poggi in Bologna.
Een zwaar uitgevoerd mes heeft natuurlijk ook een extra stevige schede nodig. Deze is gemaakt van meerdere lagen dubbel gestikt tuigleer. De schede voelt hard aan en heeft net genoeg flexibiliteit om het mes er zo strak in te klemmen dat deze er niet vanzelf uit kan vallen, zelfs niet als de schede ondersteboven wordt gehouden en je ermee schudt. De messchede loopt, zijlings bekeken, van het handvat taps af naar de punt. Omdat Nasibu een scherpe glas- en bottenbreker aan het handvat heeft, moest ik daar met de schede rekening mee houden. Als je het mes draagt mag deze, als je beweegt, bukt of valt, nooit in je zij of buik steken, daarom loopt de achterkant van de schede tot iets boven het handvat door. De twee riemlussen aan de achterkant staan elk op een eigen verhoging, waardoor een riem er makkelijk tussendoor past en deze de schede niet extra onder spanning zet. De schede kun je daardoor ook op twee verschillende hoogtes dragen.



Klik hier voor meer foto’s van ZGM 21 Nasibu.
Deze zwarte vliegensoort wordt vaak in menselijke omgeving waargenomen, ze zitten graag op zon beschenen muren met hun vleugels als een deltavlieger naar achteren. Muurrouwzwevers zijn parasieten, ze leven o.a. op larven van metselbijen. Deze bijen nestelen in gaten in muren, palen of schuttingen en leggen daar in achter elkaar geplaatste cellen hun eieren, samen met een voedselpakketje stuifmeel. Vlak voordat zo’n metselbij een cel met een propje klei afdicht, gooit de muurrouwzwever daar een eitje in. Aangezien metselbijen steeds vaker in steden in bijenhotels nestelen, volgden de muurrouwzwevers al snel. Momenteel is de kans dat je ze tegenkomt dan ook verreweg het grootst bij een bijenhotel.
 5-25022 2652_290.jpg?cached=1667140370)
 5-25022 2651_290.jpg?cached=1667140373)
 6-2021 7814_290.jpg?cached=1667140380)
De muurrouwzwever is een opvallende soort met grote ogen, een zwart lijf en overwegend donkere vleugels, waarbij verse exemplaren enkel heldere witte streepjes op hun achterlijf hebben. Ze worden zo’n 7 tot 13 mm lang en lijken sterk op de zwarte duinrouwzwever (Hemipenthes morio), deze mist echter de lichtere vlek op de vleugels. Soms worden ze ook verward met de zwarte wolzwever (Bombylius ater), maar deze heeft een veel boller lichaam en mist de duidelijke vleugeltekening. De wetenschappelijke naam Anthrax anthrax heeft niets van doen met miltvuur maar komt van het Griekse woord voor steenkool.
Het vrouwtje van de muurrouwzwever houdt zich vaak op bij nestelgangen van metselbijen en wacht daar haar kans af. Als een nest bijna klaar is en de bij even vertrekt, vliegt ze snel voor de opening en gooit met een zwaai van haar achterlijf een eitje in de gang. Daarna sluit de bij nietsvermoedend haar nestgang af. De uitgekomen vliegenlarve laat zich bij de bijenlarve in de cocon inspinnen en voedt zich met de bijenlarve. Na ongeveer 24 dagen komt de vliegenpop uit, deze heeft een kenmerkende kam op haar kop, waarmee ze door de met modder van elkaar gescheiden cellen breekt. Op haar weg naar de uitgang verplettert ze daarbij alle bijencocons die ze tegenkomt. Nadat de vliegenpop de uitgang heeft bereikt en door de buitenste barrière is gebroken, breekt de pop open en kruipt de volwassen muurrouwzwever naar buiten. Na ongeveer twee minuten zijn de vleugels volledig uitgevouwen, even later leegt ze haar darmen en kruipt ze langzaam van de nestgang weg. Na ongeveer twee uur is ze volledig uitgehard en vliegt ze uit.
 6-2021 7922_290.jpg?cached=1667140472)
Vaak kun je uit de opening van metselbijgangen nog een lege poppenhuid van een muurrouwzwever zien zitten. Deze zijn makkelijk te herkennen aan hun karakteristieke stekels en haren. De stekels zitten op het labrum, de lip van de pop. De lange stijve haren op de thorax eindigen in een haakje en worden gebruikt om zich bij het verlaten van de gang te verankeren.
Lees ook: Lapse behangersbij (Megachile lapponica), Tronkenbij (Heriades truncorum), Brundle-housefly (Musca domestica), Verpoppende langpootmug, Middellandse Zeevlieg (Ceratitis capitata), Strontvlieg (Scathophaga stercoraria), Grote dansvlieg (Empis tesselata) en Vliegen in het donker.
Toen ik net begon met messen maken, had ik er altijd een hekel aan om ook een schede te ontwerpen. Maar een mes zonder schede is niet compleet en er is ook een kunst aan het ontwerpen van een passende, functionele en mooie schede. Gaandeweg ben ik het gaan waarderen en tegenwoordig steek ik net zoveel energie in het ontwerpen van de schede als in het mes zelf.

Voor Corax had ik een schede nodig die de vorm van het lemmet benadrukt en bij de kleur en structuur van het handvat en de zwarte guard en pommel past. Deze schede bestaat uit twee delen, de losse schede en de afneembare riemband. De schede is gemaakt uit vurenhout en daarna strak met zacht, soepel leer omtrokken dat met een honkbalsteek is vastgenaaid. De twee lussen van de riemband staan onder een schuine hoek ten opzichte van de schede, zodat het handvat van het mes, als het links aan de riem wordt gedragen, enigzins naar voren hangt. Omdat het heft zelf ook een lichte kromming naar buiten heeft, kun je het mes dan makkelijker trekken.
Het hout van de schede is aan de binnenkant met fluweel bekleed zodat het patina van het lemmet niet wordt beschadigd. Op de mond van de schede is een dik stuk tuigleer gelijmd, zodat het staal van de guard niet op hout maar op leer rust. De schede is buitengewoon licht en weegt slechts 160 gram, toch is hij vanwege de houten kern erg sterk. Door gebruik zal het zwarte leer enigszins beschadigen en een steeds mooiere structuur krijgen, die goed bij het natuurlijke uiterlijk van het gewei van het handvat past.
Lees ook: Zelfgemaakt mes no. 22 (Corax).
Klik hier voor meer foto’s van Corax en hier voor meer foto’s van zelfgemaakte messen en hun schedes.
De natuurhistorische collecties van het Museo di Storia Naturale zijn uniek in de wereld. Niet vanwege de tentoongestelde objecten, want veel daarvan vind je zelfs nu nog in kleine privéverzamelingen, maar omdat ze behoorden tot de befaamde collectie van Ulisse Aldrovandi.
De Franse naturalist De Buffon beschouwde hem terecht als de vader van de studie der natuurhistorie. Ulisse Aldrovandi (ook wel Aldrovandus of Aldroandi genoemd) was een geleerde uit Bologna (1522-1605) die na zijn studies in wiskunde, Latijn, recht, filosofie en medicijnen in Bologna een studie natuurhistorie en een botanische tuin oprichtte. Na jaren van studie en verzamelen maakte hij in 1603, als kinderloze professor en curator zijn testament op en liet hij zijn immense collectie na aan de senaat van Bologna. Deze collectie bestond uit 18.000 natuurhistorische, archeologische en exotische voorwerpen, 7.000 gedroogde planten die in 15 herbaria waren opgeslagen (de alleroudste ter wereld), 17 folders met waterverf illustraties en 14 kasten met houtgravureblokken. Deze collectie werd in 1742 aan het Istituto delle Scienze geschonken, maar werd tijdens Napoleons bezetting van Bologna opgebroken. Het duurde tot 1907 voor de Universiteit de kern van de oorspronkelijke collectie wist te herstellen en in het Palazzo Poggi te tonen.

Aldrovandi zijn collectie is mede zo uniek omdat ze zijn nieuwsgierige en actieve geest weerspiegelt. Hij verzamelde alles wat hem wetenschappelijk, creatief en intellectueel uitdaagde. Zijn verzamelwoede werd gedreven door een ontembare gevoel van verwondering en dit zie je terug in zijn collectie, die een bijna kinderlijke naïviteit en diversiteit kent. In het museum vind je onder andere een gemummificeerd kop van een edelhert en hamerhaai, vogelnestjes, struisvogeleieren, maagstenen, fossielen, mineralen, krokodillenhuiden, menselijke hoorns en zelfs een zeedraak.



Tegenwoordig wordt Aldrovandi door het grote publiek niet herinnerd vanwege zijn grote invloed op de natuurhistorie maar omdat hij prentenboeken heeft gevuld met mythische monstruositeiten. Zijn Monstrorum historia (cum Paralipomenis historiae omnium animalium) en zijn Serpentum, et draconum historiae, welke postuum werden gepubliceerd, staan vol met prachtige houtsneden van meermannen, draken, harpijen, wolfmensen en allerhande andere fantastische creaturen uit mythes, legendes en volksgeloof. Deze eenvoudige houtsneden met hun expressieve lijnen en fraaie arceringen getuigen van een oudere gevoelswereld waarin men wist dat er meer onbeschreven dan beschreven was.



In het Museo di Storia Naturale wordt niet alleen de verzameling van Androvandi, maar ook die van Fernando Cospi getoond. Deze Cospiana-collectie werd in 1660 aan het senaat gedoneerd. In 1667 liet Cospi een volledige beschrijving van het “Museo Cospiano” in vijf dikke volumes drukken.
Lees ook: Rue Buffon, Giovanni Antonio Galli en het Museo Ostetrico in Palazzo Poggi in Bologna, Venerina in Palazzo Poggi in Bologna, Bloedkoraal en Albertus Seba, Olaus Worms Wunderkammer en Rosamond Purcell, Het Zeepaard, Natura Docet in Denekamp, Naturhistorisches Museum in Bazel, Museo di Zoologica en Museo di Anatomia Comparata in Bologna en Het opgezette nijlpaard in La specola (Ippopotamo di Boboli).
Klik hier voor meer foto’s van het Museo di Storia Naturale in Palazzo Poggi in Bologna.
Klik hier voor meer foto’s van natuurhistorische musea.
Op 9 maart 1463 overleed de moeder-overste van het Corpus Christi klooster in Bologna. Ze werd zoals gewoonlijk begraven op het kerkhof van het klooster. Nadat de nonnen echter een zoete geur vanuit haar graf hadden waargenomen, werd ze na achttien dagen alweer opgegraven. Omdat haar lichaam onaangetast was en geen enkel teken van verval of ontbinding vertoonde, werd het naar de kapel van het klooster verplaatst. Nu, bijna 560 jaar later, zit ze daar nog steeds. In een kleine kloosterkapel, omgeven door relieken, zit ze met haar handen in haar schoot op een versierde gouden troon. Ze draagt de kleding van haar orde, haar gezicht en handen zijn door de jaren zwart geworden. Haar hoofd is geneigd, waardoor je het gevoel krijgt dat ze in gedachten is verzonken of net is ingedommeld.
Als je de ruimte inloopt zit ze niet recht tegenover de ingang maar iets links daarvan. De barokke troon is enorm en overweldigend. Twee putti houden een brokaten sluier open en presenteren een intieme blik op de heilige. Geflankeerd door engelen en omlijst door verguld snijwerk bevindt zich daar op een verhoging een kleine onopvallende gestalte.

Het klooster wordt nog steeds gebruikt, het is een onderdeel van de Order der Clarissen, de tweede orde van Franciscus van Assisi, een vrouwelijke tak van de vroeg-franciscaanse beweging. Toen wij er in Bologna naar vroegen bleek het klooster niet zo makkelijk te vinden, en het heeft wat speurwerk gevraagd voor we eindelijk voor de deuren van dit oorspronkelijk 15e-eeuwse klooster stonden. Je kunt het klooster vrij bezichtigen, maar toen wij er waren, duurde het even voor we werden binnengelaten. Ons was verteld aan te bellen bij het pand links naast het klooster. Een werkelijk stokoude non legde ons daar met een hese fluisterstem en veel hoofdgeknik uit dat we wat later moesten terugkomen. Toen we een uurtje later terugkeerden was de poort open en konden we de kleine kerk van het klooster in. Hoewel ik foto’s van de kapel had gezien was ik toch niet goed voorbereid op een ontmoeting met Santa Caterina de’Vigri. Sommige plaatsen voelen geladen, alsof je daar een toon die buiten je gehoorgrens valt, kunt voelen. Ik heb normaal geen enkele moeite met menselijke resten, zoals botten en gemummificeerde lichamen. Deze ruimte maakte mij echter onrustig, alsof je een vacuüm instapte. Hoewel ik erg van de ontmoeting onder de indruk was, zou ik er niet graag in mijn eentje de nacht willen doorbrengen.
De kapel is populair onder de gelovigen van Bologna, en velen van hen komen regelmatig even aan de voeten van Santa Caterina bidden. Ze is niet alleen de beschermheilige van Bologna maar ook die van kunstenaars en helpt om verleidingen te weerstaan. Al tijdens haar leven was ze een buitengewone vrouw, ze stond bekend als een devote non en moeder-overste maar werd ook geroemd als schrijfster, mysticus, leraar en schilder.
Lees ook: De dolk van de apostel Petrus, Marco d’Agrate’s Bartolomeus, Nicholas Read en het monument voor Elizabeth Nightingale, De genitaliën van Biagio da Cesena, Aal de Dragonder, The Greenwich Time Lady, Ah weh eyu, Ockhams scheermes en De vliegende non.
Net als bij het Missiemuseum ben ik nog een keer naar Natura Docet teruggegaan om enkele eerder gemaakte foto’s te verbeteren en er een paar foto’s te maken die ik zonder statief en ultragroothoeklens toen niet kon nemen. Ik wilde vooral enkele van de donkere vitrines er goed op krijgen, gelukkig was men zo vriendelijk om sommige voor mij te openen, zodat ik niet door glas heen hoefde te fotograferen.
Eén van de meest intrigerende vitrines in het museum vond ik die van de Afrika-reis van meneer Laan uit 1924. Deze mooie oude houten vitrine met grote schuifdeuren heeft dezelfde groengrijs geschilderde achterkant die je in zoveel musea van die tijd vindt. Hij is gevuld met jachttrofeeën uit Afrika, die men toen heel normaal vond maar waarvan sommige nu niet meer geaccepteerd zouden worden. Zo staat er een olifantspoot die tot paraplubak is verwerkt en hangen er de schedels van de dieren die puur voor het plezier zijn gedood.
De donkerbruine vitrines met opgezette vogels wilde ik er ook beter op hebben. Het is een manier van presenteren die men nu niet meer zou gebruiken, toch zijn het juist deze gedateerde en overvolle presentaties die zijn sfeer geven aan dit fraaie museum.
Lees ook: Natura Docet in Denekamp en Missiemuseum Steyl (1) en (2).
Klik hier voor meer foto's van Natura Docet in Denekamp.