Net
zoals
bij
zoveel
andere
belangrijke
wetenschappelijke
collecties
is
die
van
het
natuurmuseum
in
Bazel
ooit
begonnen
als
een
privécollectie
in
een
rariteitenkabinet.
De
oudste
voorwerpen,
zoals
fossiele
haaientanden,
blaas-
en
nierstenen
komen
uit
het
kabinet
van
de
Bazelse
arts
Felix
Platter
(1536-1614)
en
het
Amerbach-kabinet
van
hoogleraar
in
de
rechten
Basilius
Amerbach
(1533-1591).



In
1818
vroegen
Christian
Bernoulli
en
Peter
Merian
aan
de
universiteit
en
het
stadsbestuur
om
deze
kabinetten
en
de
mineralogische
en
natuurhistorische
collecties
samen
te
mogen
voegen
en
in
1821
(nu
ruim
twee
eeuwen
geleden)
werd
het
natuurwetenschappelijke
museum
van
de
Universiteit
Basel
in
de
Falkensteinerhof
aan
de
Münsterplatz
geopend.
Toen
in
1831
de
steeds
maar
groeiende
collectie
en
de
daarbij
behorende
bibliotheek
te
groot
werden,
verhuisde
men
naar
de
Reinacherhof.
In
1843
bepaalde
men
dat
schenkingen
en
legaten
aan
de
universiteit
niet
meer
mochten
worden
doorverkocht
en
dus
in
Bazel
moesten
blijven.
Aangezien
dit
de
collecties
alleen
nog
maar
liet
groeien,
moest
men
alweer
op
zoek
naar
een
grotere
locatie
en
verhuisde
men
op
26
november
1849
naar
het
Augustijnenklooster
aan
de
Augustinergasse.
De
collectie
bleef
zich
echter
uitbreiden
en
in
1879
verhuisde
het
natuurmuseum
opnieuw,
nu
naar
het
speciaal
hiervoor
gebouwde
Bernoullianum.
De
collectiegroei
kreeg
steeds
meer
vaart
en
het
natuurmuseum
moest
zich
daaraan
aanpassen,
in
1914
en
1917
voegde
men
dus
meerdere
zalen
en
depots
aan
de
gebouwen
toe.
In
1932
onderging
het
museum
een
rigoureuze
renovatie
en
tussen
1968
en
1972
werd
het
opnieuw
vergroot
en
werden
er
wederom
extra
zalen
en
zelfs
kelders
aan
het
museum
toegevoegd.
Momenteel
heeft
dit
grote
museum
ruim
11
miljoen
diverse
objecten
in
het
beheer
en
kijken
ze
alweer
uit
naar
een
volgende
locatie.
In
2028
verhuizen
ze
naar
een
nieuw
pand
in
de
wijk
St.
Johann,
de
bouw
daarvan
is
al
begonnen.
Als deze lange geschiedenis van groei en verplaatsing iets toont, is het wel dat een dergelijke collectie zich gedraagt als een levend organisme. Mits onderhouden zal deze groeien, zich voortplanten en op zoek gaan naar betere “leefomstandigheden”. Sommige objecten worden verkocht of geruild, uit deze interactie met andere collecties kunnen weer nieuwe collecties ontstaan, terwijl nieuwe aanwinsten de eigen collectie levendig en divers houden. Op een gegeven moment voelen steeds meer mensen en instanties zich geroepen om zo’n collectie in stand te houden en verder te laten groeien, waardoor men oude objecten conserveert, nieuwe objecten toevoegt en betere leefruimtes zoekt of zelfs creëert. Totdat de collectie een entiteit wordt en daarmee ook een identiteit krijgt. Naarmate zo’n collectie groeit, ontwikkeld ze haar eigen zwaartekracht en zal ze steeds meer objecten aantrekken.
Zo kan een simpel schelpje of schedeltje dat iemand heeft gevonden en doet verwonderen, uitgroeien tot een collectie van wereldformaat, welke door de eeuwen heen door veel mensen met veel liefde in leven wordt gehouden.
Volgens typisch Zwitsers gebruik is het museum netjes en schoon. De vitrines zijn zeer precies ingericht en de gepresenteerde objecten zijn allemaal in goede staat. Hier vind je geen kapotte vitrinekasten met mislukte taxidermie, stoffige skeletten of gebarsten wekpotten, alles is verzorgd. Toch is het geen steriel museum, het heeft zijn eigen sfeer en er is genoeg te zien en te beleven, het kan je af en toe zelfs verrassen. Zo had ik die opgezette giraffe in het trapportaal niet zien aankomen en vond ik de verstilde vitrine met de Megantereon erg indrukwekkend.
Klik hier voor meer foto’s van het Naturhistorisches Museum in Basel en hier voor meer foto's van anatomische, natuurhistorische en zoölogische musea.
Lees ook: Museo di Zoologica en Museo di Anatomia Comparata in Bologna, Muséum d’Histoire naturelle in Rouen, Museo di Storia Naturale Giacomo Doria, Natuurhistorische musea en oude collecties en Galerie de paléontologie et d'anatomie comparée.




Geen reacties
Reageer: