Klik hier voor meer foto's van opgezette apen.
Net zoals bij zoveel andere belangrijke wetenschappelijke collecties is die van het natuurmuseum in Bazel ooit begonnen als een privécollectie in een rariteitenkabinet. De oudste voorwerpen, zoals fossiele haaientanden, blaas- en nierstenen komen uit het kabinet van de Bazelse arts Felix Platter (1536-1614) en het Amerbach-kabinet van hoogleraar in de rechten Basilius Amerbach (1533-1591).



In 1818 vroegen Christian Bernoulli en Peter Merian aan de universiteit en het stadsbestuur om deze kabinetten en de mineralogische en natuurhistorische collecties samen te mogen voegen en in 1821 (nu ruim twee eeuwen geleden) werd het natuurwetenschappelijke museum van de Universiteit Basel in de Falkensteinerhof aan de Münsterplatz geopend. Toen in 1831 de steeds maar groeiende collectie en de daarbij behorende bibliotheek te groot werden, verhuisde men naar de Reinacherhof. In 1843 bepaalde men dat schenkingen en legaten aan de universiteit niet meer mochten worden doorverkocht en dus in Bazel moesten blijven. Aangezien dit de collecties alleen nog maar liet groeien, moest men alweer op zoek naar een grotere locatie en verhuisde men op 26 november 1849 naar het Augustijnenklooster aan de Augustinergasse. De collectie bleef zich echter uitbreiden en in 1879 verhuisde het natuurmuseum opnieuw, nu naar het speciaal hiervoor gebouwde Bernoullianum. De collectiegroei kreeg steeds meer vaart en het natuurmuseum moest zich daaraan aanpassen, in 1914 en 1917 voegde men dus meerdere zalen en depots aan de gebouwen toe. In 1932 onderging het museum een rigoureuze renovatie en tussen 1968 en 1972 werd het opnieuw vergroot en werden er wederom extra zalen en zelfs kelders aan het museum toegevoegd. Momenteel heeft dit grote museum ruim 11 miljoen diverse objecten in het beheer en kijken ze alweer uit naar een volgende locatie. In 2028 verhuizen ze naar een nieuw pand in de wijk St. Johann, de bouw daarvan is al begonnen.
Als deze lange geschiedenis van groei en verplaatsing iets toont, is het wel dat een dergelijke collectie zich gedraagt als een levend organisme. Mits onderhouden zal deze groeien, zich voortplanten en op zoek gaan naar betere “leefomstandigheden”. Sommige objecten worden verkocht of geruild, uit deze interactie met andere collecties kunnen weer nieuwe collecties ontstaan, terwijl nieuwe aanwinsten de eigen collectie levendig en divers houden. Op een gegeven moment voelen steeds meer mensen en instanties zich geroepen om zo’n collectie in stand te houden en verder te laten groeien, waardoor men oude objecten conserveert, nieuwe objecten toevoegt en betere leefruimtes zoekt of zelfs creëert. Totdat de collectie een entiteit wordt en daarmee ook een identiteit krijgt. Naarmate zo’n collectie groeit, ontwikkeld ze haar eigen zwaartekracht en zal ze steeds meer objecten aantrekken.
Zo kan een simpel schelpje of schedeltje dat iemand heeft gevonden en doet verwonderen, uitgroeien tot een collectie van wereldformaat, welke door de eeuwen heen door veel mensen met veel liefde in leven wordt gehouden.
Volgens typisch Zwitsers gebruik is het museum netjes en schoon. De vitrines zijn zeer precies ingericht en de gepresenteerde objecten zijn allemaal in goede staat. Hier vind je geen kapotte vitrinekasten met mislukte taxidermie, stoffige skeletten of gebarsten wekpotten, alles is verzorgd. Toch is het geen steriel museum, het heeft zijn eigen sfeer en er is genoeg te zien en te beleven, het kan je af en toe zelfs verrassen. Zo had ik die opgezette giraffe in het trapportaal niet zien aankomen en vond ik de verstilde vitrine met de Megantereon erg indrukwekkend.
Klik hier voor meer foto’s van het Naturhistorisches Museum in Basel en hier voor meer foto's van anatomische, natuurhistorische en zoölogische musea.
Lees ook: Museo di Zoologica en Museo di Anatomia Comparata in Bologna, Muséum d’Histoire naturelle in Rouen, Museo di Storia Naturale Giacomo Doria, Natuurhistorische musea en oude collecties en Galerie de paléontologie et d'anatomie comparée.
Nancy is terecht beroemd vanwege haar fraaie architectuur en druk bezochte Place Stanislas, ook wel het mooiste plein van Europa genoemd. Nancy heeft daarnaast ook een natuurhistorisch museum, dat is gecombineerd met een aquarium. Dat trekt echter heel wat minder bezoekers.
Altijd als ik in een andere stad ben, kijk ik of daar een natuurhistorisch, zoölogisch, anatomisch of medisch museum is. Het was dus niet meer dan normaal dat ik dit Muséum-Aquarium bezocht. Meestal ben ik snel tevreden, ik hou van dat soort musea en er is niet veel nodig om me blij te maken, dit museum deed me echter niet veel. Afgezien van wat opgezette dieren, die in voor mij volledig onbegrijpelijke opstellingen stonden en buitengewoon slecht werden belicht, was er niet veel te ontdekken. Wel hadden ze veel speciaal gemaakte displays en vitrines. Daar was heel wat meer aandacht aan gegeven dan aan de tentoongestelde objecten of het educatieve verhaal dat ze wilden vertellen en bij een tentoonstelling over liefde was schijnbaar het hele budget naar een lange wand met neonteksten gegaan. Afgezien van wat opnames voor mijn serie van opgezette apen, heb ik er niet veel gefotografeerd, binnen een half uurtje stond ik weer buiten.



Lees ook: Opgezette apen in musea en Natuurhistorische musea en oude collecties.
Klik hier voor meer foto's van het Muséum-Aquarium de Nancy.
Klik hier voor foto’s van opgezette apen uit diverse musea in Europa.
Klik hier voor meer foto’s en berichten over andere natuurhistorische musea.
Het Zoölogische museum in Bologna huisvest één van de grootste en oudste collecties van Italië. Deze vindt zijn oorsprong in de 16e eeuw dankzij de ongekende verzamelwoede en beschrijvingsdrift van Ulisse Aldrovandi. Zijn collectie behelsde ruim 18.000 items en wordt wel gezien als het allereerste en belangrijkste rariteitenkabinet ter wereld. Al tijdens zijn leven werd dit kabinet als museum voor geleerden en aristocraten geopend. In 1617 verhuisde zijn collectie naar Palazzo Publico, waarna het in 1742 voor lange tijd werd opgeslagen in het Istituto delle Scienze. In de 18e eeuw werden daar de collecties van markies Cospi en Luigi Fernando Marsili aan toegevoegd en groeide de verzameling uit tot één van wereldformaat. In 1860 richtte men in Bologna hiervoor het zoölogische museum op en sinds 1936 is dit in het Universiteitsgebouw aan de Via Francesco Selmi gevestigd. In 1907 werd een deel van de originele Aldrovandi-collectie verplaatst naar Palazzo Poggi, waar deze nu nog steeds staat tentoongesteld.
Door de eeuwen heen zijn de uitzonderlijke collecties van dit zoölogische museum regelmatig bestudeerd en hebben ze enorm bijgedragen aan onze wetenschappelijke kennis. Ook nu nog trekken de verzameling Italiaanse vogels van Zaifagnini-Bertocchi, de Egeïsche en Libische kevers van Chigi en hun malacologische-collectie veel wetenschappers naar Bologna.

Ik bezocht het museum op een bloedhete dag in augustus. Vlak voor opening stond ik voor de deur en trof daar buiten een suppoost die rustig een sigaretje rookte. Duidelijk niet gewend aan vroege bezoekers, liet hij me enigszins verbaasd binnen en gedurende de eerste twee uur had ik het museum helemaal voor mezelf. Het was er helaas hondsbenauwd, dergelijke musea hebben blijkbaar nooit airco of ramen die open kunnen en tijdens het fotograferen heb ik regelmatig het zweet uit mijn ogen moeten wrijven. Toch heb ik er een heerlijke ochtend doorgebracht, de collectie ademt nog steeds de sfeer van een rariteitenkabinet en veel stukken zijn buitengewoon interessant en fotogeniek.



Wat direct opviel was de enorme hoeveelheid opgezette dieren en in welke slechte staat deze vaak verkeerden. In veel gevallen waren de dierenhuiden gewoon over een papier-maché vorm heengetrokken en met grove spijkers vastgezet. Tanden en ogen (als deze er al in zaten) waren vaak van geschilderd karton. Veel opgezette zoogdieren zagen eruit alsof ze te lang buiten hadden gestaan en hun droge, strakgetrokken huiden waren op veel plaatsen gescheurd of kaal. In vitrines stonden gebarsten wekflessen met kikkers en door museumkevers kaalgevreten en uit elkaar vallende gemummificeerde dieren.

Op de begane grond staan Afrikaanse trofeeën, diorama’s en de gigantische ornithologische collectie. Op de eerste verdieping staan verschillende diergroepen en de Altobello collectie met amfibieën, reptielen en zoogdieren. Op de tweede verdieping bevindt zich de collectie van het Museo di Anatomia Comparata, wat om de een of andere onverklaarbare reden de hele maand augustus was gesloten. Toen ik om opheldering aan de balie vroeg, wist men zelf ook niet precies waarom. Teleurgesteld maakte ik een laatste ronde door het zoölogische gedeelte kwam een vriendelijk medewerkster me vertellen dat ze zelf ook fotografeerde en ik blijkbaar toestemming had gekregen om er onder begeleiding toch wat foto’s te maken. Dit gedeelte van het museum herbergt ruim 9.000 stuks vergelijkende anatomie en bestaat uit skeletten en geprepareerde lichaamsdelen.



Al met al zijn het twee slordige musea, waarvan je hoopt dat niemand ze ooit opruimt. Je vindt er uit elkaar vallende dieren met lege oogkassen, apen met tanden van papier-maché, stoffige skeletten, een mottige tijger en een gelakte zonnevis. Er is vaak geen enkele lijn in de taxonomische keuzes te ontdekken en toch is dat allemaal niet erg, het voegt alleen maar toe aan de sfeer van het museum. De ornithologische afdeling, waar je rij na rij aan lange vitrines met opgezette vogels vindt, deed mij zelfs denken aan een oude bibliotheek die in plaats van boeken met opgezette dieren was gevuld.
Klik hier voor meer foto's van het Museo di Anatomia Comparata, hier voor fotos van het Museo di Zoologica in Bologna en hier voor meer foto's van anatomische, natuurhistorische en zoölogische musea.
Lees o.a. ook: Natuurhistorische Musea en oude collecties, Galerie de paléontologie et d'anatomie comparée, Salone degli Scheletri in La Specola en Muséum d’Histoire naturelle in Rouen.
Op de Dutch Knife Exhibition van dit jaar heb ik verschillende handvat-materialen gekocht, waaronder een mooi stuk edelhertengewei. Lange tijd wist ik niet goed hoe ik dit moest verwerken, ik had sterk het gevoel dat het bij een robuust mes met een klassiek uiterlijk hoorde. Pas toen ik een bowie-mes met een gebogen rug als uitgangspunt nam en besloot om het staal zwart te maken kwamen ontwerp en materiaal bij elkaar. Er zijn heel wat schetsen in gaan zitten voor ik tevreden was en de verhoudingen, krommingen en lijnen goed bij dit specifieke stuk gewei pasten. Het hele mes is uiteindelijk 41 cm lang geworden met een lemmet van 26,5 cm en een gewicht van 619 gram.



Voor dit ontwerp koos ik een verborgen angel met schroefdraad en een pommel-constructie. Hiervoor moest de angel de kromming van het gewei volgen en precies de juiste lengte hebben, terwijl aan de achterkant een enkele pommel-schroef de gehele constructie stevig bij elkaar moest houden. Omdat het gewei niet alleen naar beneden kromt maar ook enigszins opzij, was het cruciaal deze kromming goed te krijgen. Tevens moest het schroefdraad van de angel dat door de pommel stak precies in het midden zitten én haaks op het vlak van de pommel staan. Door in de angel van het lemmet aan de achterkant een uitsparing te maken, kon ik daar, nadat het staal was gehard, een schroefbout in solderen. Na verhitting kon deze in precies de juiste hoek worden gebogen. Het gehele mes bestaat dus uit meerdere delen: het lemmet met de angel met schroefdraad, de stootplaat, de brede spacer achter de stootplaat, het stuk gewei, de pommel en de zelfgemaakte pommel-schroef. Het staal moest voordat het handvat in elkaar werd gezet, worden gezwart. Het was voor een goede pasmaat dus cruciaal dat alle onderdelen steeds op precies dezelfde plaats tegen elkaar kwamen te liggen en niet konden verschuiven. Kleine richtpinnen op de contactvlakken garanderen steeds dezelfde pasmaat.

Het lemmet is uit 6,3 mm dik O2 staal gemaakt, het is 26,5 cm lang en op zijn breedste punt voor de choil 5 cm breed. Het snijvlak is 2,7 cm hoog en de swedge/valse snede is 1 cm hoog. Deze valse snede vormt een parallellogram, terwijl het vlakke ongeslepen deel van het lemmet vanaf de ricasso bezien een spits toelopende punt heeft. Het O2 is door mijn eigen procedé zwart gemaakt. De snede begint vlak maar wordt op een halve centimeter van het snijvlak convex. Omdat het lemmet pas na het zwart maken is geslepen, is de uiteindelijke snede een dunne lijn reflecterend staal.



De stootplaat en de spacer zijn van gezwart L6 staal. De stootplaat heeft de vorm van een convergerende (convex geslepen) lens. De zijkant heeft over de hele omtrek een ondiepe geul, waardoor hij minder massief lijkt. De brede spacer heeft tegen de stootplaat aan de vorm van een kleinere convergerende lens en kromt daarna weg naar een ovaal die nagenoeg precies tegen het stuk gewei aan past. Hierdoor komt je hand geen scherpe hoeken tegen als je hem tegen de stootplaat aanduwt.
De pommel en de schroef zijn ook van gezwart L6. Omdat een stuk gewei van nature geen gelijke strakke vormen heeft, moest ik het op sommige plaatsen bijschuren. Op die manier kon ik het aan de voorkant naar een ovaal brengen. Aan de achterkant is de vorm iets onregelmatiger en lijkt hij op een ovaal met een afgeplatte zijde. De pommel heeft, net als de stootplaat, een ondiepe geul over de hele omtrek. De schroef is spits, met twee smalle inkepingen om zijn basis en kan dienst doen als bottenbreker.
Het mes draagt de naam Corax, het is vernoemd naar de raaf (Corvus corax) en de mythische koning van Sicyon, één van de grondleggers van de Griekse retoriek.
Lees ook: Zelfgemaakt mes no. 21 (Nasibu), Zelfgemaakt mes no. 20 (Suminagashi), Zelfgemaakt mes no. 19 en Van rode naar zwarte roest.
Klik hier voor meer foto’s en berichten over zelfgemaakte messen en hier voor alle foto's van Corax.
Momenteel kun je in Huis Vasari van de Vrije Academie in Amsterdam de tentoonstelling “The Remains of the 1900 London Convention” van Nederlands kunstenaarsduo Darwin, Sinke & Van Tongeren bewonderen. Jaap Sinke en Ferry van Tongeren hebben zich toegelegd op taxidermie, maar hun werk lijkt in niets op de stoffige eekhoorn of verfomfaaide buizerd die bij je grootouders op de schoorsteenmantel stond.



Sinke en Van Tongerens uitgangspunt bij hun taxidermie is niet zozeer natuur als wel cultuur, specifiek onze 17e-eeuwse schilders. Door hun opgezette dieren en nu ook skeletten, expressief en antropomorf te poseren en extreem veel aandacht te geven aan kleur, textuur en dramatiek, roepen ze de sfeer op van schilders als Jan Asselijn, Frans Snyders en Melchior d’Hondecoeter. Dit duo timmert internationaal aardig aan de weg en het moet gezegd, ik ben zelf ook een enorme fan. Toch heb ik enkele kritische noten over hun huidige tentoonstelling.
De locatie voor deze laatste tentoonstelling is goed gekozen, het past perfect bij de luxe aristocratische verzamelaarscultuur waar hun werk mee dweept. De skeletten die ze hebben tentoongesteld zijn (bijna) allemaal zwart gekleurd en staan in elegante en expressieve houdingen. Dankzij de enorme zorg die ze nemen bij houding, afwerking en presentatie, sommige sokkels zijn minstens zo bepalend voor de sfeer als het skelet zelf, krijgt elk object zijn eigen verhaal en pathos. Ik plaats hun werk enigszins in lijn met dat van kunstenaars als Joseph Cornell en Walton Ford.
Sommige stukken, zoals hun Abdim’s Stork, Bornean Orangutan, Giant Anteater en Black Casqued Hornbill & African Pied Hornbill, sprongen er voor mij uit. Hier laten ze zien dat ze houding en expressie in een perfecte balans weten te brengen met lijn en vorm. Andere stukken, zoals Japanese Spidercrap en Roan Antelope, spraken mij minder aan. Zeker bij de bewust onafgemaakte Roan Antelope vond ik de keuze om de koperdraden uit de nek te laten steken en de kop onder de hoef van de antilope te plaatsen, bijna voorspelbare kitsch. Maar laten we eerlijk zijn, ook dat was een belangrijk onderdeel van de verzamelkunst uit de 17e eeuw. Men had vaak meer geld dan niveau en koos daarom onherroepelijk voor de meest opulente en luxueuze beelden en materialen.



Darwin, Sinke & Van Tongeren werken ook via fotografie. In hun serie Les Peintures des Taxidermistes fotografeerden ze hun werkstukken als 17e-eeuwse vanitas stillevens, terwijl op de serie Unknown Poses lege dierenhuiden in een melkwit zeepbad drijven. Zeker deze laatste serie heeft enkele fantastische foto’s opgeleverd, waaruit blijkt dat een simpel idee, tot in perfectie uitgevoerd, tot sublieme beelden kan leiden. In Huis Vasari tonen ze hun derde fotoserie, Cattle & Concrete. Hiervoor hebben ze diverse dierenschedels van Naturalis gestapeld en gefotografeerd, waarna deze zijn geprint en met een dunne laag beton zijn bedekt. Elk werk is voorzien van vee-tags. Deze nieuwe werkwijze resulteert weliswaar in zeer salonfähig en verkoopbaar werk, maar voelt wel enigszins gekunsteld aan en haalt niet de pure kwaliteit van hun eerdere series.

Ik wil iedereen aanraden om, zolang dat nog kan, deze tentoonstelling te bezoeken, al was het alleen maar vanwege de intieme setting en het fraai vormgegeven krantje dat gratis bij de expositie wordt weggegeven. Darwin, Sinke & Van Tongeren behoren momenteel tot enkele van de interessantere kunstenaars van Nederland. Zelfs als je geen affiniteit hebt met taxidermie en skeletten, biedt deze expositie een unieke ervaring en wie weet hoe ver je misschien moet reizen voor de volgende tentoonstelling van dit internationaal snel opkomende kunstenaars duo.
Lees ook: Treasures from the wreck of the Unbelievable, Allegorie met Venus en Cupido, Vanitas en Shaun Tan in Helsinborg.
Dit bericht is het vervolg op een eerder bericht over de metamorfose van een lieveheersbeestje. Lees eerst: De metamorfose van een lieveheersbeestje: van larve naar pop (harmonia axyridis).
 6-2022 3647_290.jpg?cached=1655382886)
Nadat een lieveheersbeestje binnen ongeveer twee weken zijn volledige interne organen tijdens het popstadium heeft gereorganiseerd, barst deze pop open. Binnen de pop-huid bevindt zich het zachte, maar volgroeide en volledig ontwikkelde lieveheersbeestje. Deze zit echter gevangen in de droge taaie huid die hem tijdens zijn popstadium heeft beschermd. Vlak voor het openbreken beweegt de pop zich regelmatig op en neer, alsof hij zich klaarmaakt voor een laatste krachttoer. Net als tijdens zijn transformatie van larve tot pop, breekt de pop-huid hiervoor open, vrijwel op dezelfde plaatsen als voorheen de larvehuid openbrak. Deze operatie kan gemakkelijk een uur in beslag nemen.
 6-2022 3581_290.jpg?cached=1655382940)
 6-2022 3670_290.jpg?cached=1655382942)
 6-2022 3705_290.jpg?cached=1655382963)
Beetje voor beetje bevrijdt het lieveheersbeestje zich uit zijn sarcofaag. Zodra hij zijn voorste pootjes vrij heeft zal hij zich daarmee verder naar buiten trekken. Ook de aan de binnenkant met chitine beklede huid van de adembuisjes (tracheeën) die hij als pop had, moet hij daarbij uit zijn lijf lostrekken. Je ziet ze als dunne witte draden nog aan zijn oude pop-huid hangen. Direct na het uitsluipen is de volwassen kever (imago) nog overwegend geel. Zijn kop en borststuk hebben wel kleur, maar zijn dekschilden hebben enkele uren tot dagen nodig om helemaal uit te harden en op kleur te komen. De geeloranje kleuren van de kever worden veroorzaakt door caroteen en de zwarte door melanine.
Het lieveheersbeestje zal, zo snel mogelijk na het uitsluipen, zijn vleugels laten drogen. Hiervoor kruipt hij verticaal tegen een blad of stengel omhoog en laat zijn opgepropte vleugels als natte was onder zijn dekschilden vandaan zakken. Langzaam vult hij de aderen van zijn vleugels met zijn (gele) bloed, totdat ze volledig zijn uitgestrekt en ze kunnen drogen. Deze vleugels zijn ongeveer twee keer zo lang als zijn dekschilden. Daarna vouwt hij ze als gordijnen op en haalt ze weer veilig omhoog onder zijn schild. Pas als zijn schild en vleugels hard zijn, gaat hij op zoek naar eten. Als volwassen kever is hij daarin nog net zo gulzig als hij was als larve.
 6-2022 3664_290.jpg?cached=1655383011)
Na zich gedurende de zomer te hebben volgevreten zal de kever ergens een overwinteringsplaats uitzoeken. In het opvolgende voorjaar zoeken de lieveheersbeestjes elkaar op om te paren.
Lees ook: De metamorfose van een lieveheersbeestje: van larve naar pop (harmonia axyridis) en Vervellende lieveheersbeestjeslarve.
Nadat een lieveheersbeestje uit het ei is gekropen doorloopt hij vier larvestadia, de vier zogenaamde instar. Elke keer vervelt hij en wordt hij groter, totdat hij als instar 4 zichzelf verpopt. Ik had al eens foto’s gemaakt van zo’n vervellend lieveheersbeestje, maar dat was niet zo dramatisch als de metamorfose van larve tot pop.
 5-2022 2923_290.jpg?cached=1655310838)
De eitjes van een lieveheersbeestje zijn langwerpig en geeloranje. Ze worden meestal in de buurt van een bladluizenkolonie, in groepjes van 20 tot 50, op bladeren en stengels afgezet. Afhankelijk van de temperatuur, hoe warmer – hoe sneller, komen deze eitjes na ongeveer vier dagen uit. De minuscule larven gaan dan op de tast op zoek naar voedsel. Als instar 1 bijten ze zich vast in de rug van een bladluis en zuigen dan zijn bloed. Naarmate de larve groeit en vervelt kan deze hele bladluizen, inclusief de pootjes, eten. Lieveheersbeestjeslarven zijn heel vraatzuchtig en worden daarom ook veel ingezet om bladluizenpopulaties in toom te houden.
 6-2022 3329_290.jpg?cached=1655310889)
Als de volgroeide larve zich helemaal heeft volgegeten, bevestigt deze zijn achterlijfspunt aan een blad of stengel en gaat daarmee zijn pre-pop fase in. Ze zitten dan ongeveer een etmaal verankerd voor ze zich veranderen in een pop. Hiervoor moeten ze eerst uit hun vel barsten, dat gaat echter niet vanzelf, regelmatig richten ze zich omhoog en blazen ze zich op. Hiermee zetten ze hun vel zo veel mogelijk onder spanning . Ze blijven dit doen net zolang tot hun vel, via een aantal breuklijnen over hun kop en rug, openbarst en ze zich uit hun oude huid kunnen wurmen. Het lege larvehuidje ligt dan als een afgeworpen kledingstuk aan hun voeten.
De pop is, als hij net tevoorschijn komt, eerst opvallend licht geel, maar verkleurt naarmate deze droogt al snel naar hun zwart met geeloranje waarschuwingskleuren, welke rovers erop moeten attenderen dat ze oneetbaar zijn. Gedurende deze pop-fase kunnen ze zich overigens nog wel bewegen. Uit observatie zag ik dat als de pop werd aangeraakt, of de lichtinval erop drastisch veranderde deze zich in volle lengte oprichtte. Waarschijnlijk doen ze dit om eventuele aanvallers of parasieten af te schrikken, want tijdens hun pop-fase zijn ze natuurlijk erg kwetsbaar. Afhankelijk van de temperatuur zal deze fase tussen de drie en veertien dagen duren.
Lees ook: Vervellend lieveheersbeestje, De transformatie van een dagpauwoog (Aglais io), Vlinderpoppen en Gewone dennenboktor (Rhagium inquisitor).
Nadat ik mijn foto’s van mijn eerste bezoek aan het missiemuseum had bekeken, wist ik dat ik terug wilde. Hoewel je met één lens en uit de hand fotograferend ver kunt komen, is er voor een maximale kwaliteit vaak net wat meer nodig. Na overleg, mocht ik buiten openingstijden terugkomen voor een tweede sessie. Ik heb deze gebruikt om enkele van de eerder gemaakte foto’s te verbeteren en wat rustiger om me heen te kijken. Sommige foto’s vroegen om een iets andere invals- of beeldhoek. Met een statief en ultragroothoeklens kon ik nu beter weergeven wat ik oorspronkelijk wilde laten zien. Zo wilde ik graag de vitrine met watervogels er in één keer helemaal op hebben. Dankzij het kader van de vitrine, de stijl in het midden en de manier waarop de vogels met hun naamkaarten binnen het kader zijn geplaatst en belicht, lijkt deze foto op een opengeklapte pagina uit een oud geschilderd vogelhandboek.

De tweede indruk van het museum was wat minder overweldigend dan de eerste, maar gaf me wel de gelegenheid om beter te kijken. Soms is het enige wat je echt nodig hebt om goed te observeren, tijd en de wil om te zien. Nu ik de tweede sessie foto’s heb bekeken, weet ik zeker dat ik nog een keer terug wil. Niet meteen, maar later, als al deze beelden wat zijn weggezakt. Ik ben benieuwd wat mijn indrukken dan zullen zijn en welke foto’s ik dan zal maken.
De eerste foto is overigens door het museum gebruikt voor hun nieuwsbrief en staat in aangesneden vorm nu op hun site.
Lees ook: Missiemuseum in Steyl.
Deze wants parasiteert op Japanse rotsheide (Pieris japonica) en werd tegelijkertijd met deze populaire tuinplant geïmporteerd. Bij onze Duitse buren is deze wants, die men vanwege zijn buitenaardse uiterlijk soms ook wel Andromedanetwants noemt, nu al decennialang een plaag. In 1994 werd hij voor het eerst in een tuin in Boskoop gesignaleerd en in 1998 voor het eerst in Engeland.
Deze netwants heeft een fijne netvormige structuur op zijn vleugels en halschild die enigszins aan glas in lood doet denken. Stephanitis takeyei onderscheidt zich van veel andere netwantsen door een bolle blaas die als een hoed over zijn kop ligt. De wantsen worden slechts zo’n 3 mm groot en hebben twee donkere dwarsbanden over de vleugels. De rotsheidenetwants leeft fytofaag aan de onderkant van het blad, waar ze bladgroen zuigen. Ze hebben twee tot vier generaties per jaar.
 5-2022 2747_290.jpg?cached=1653228160)
Lange tijd bleef deze wants, vanwege zijn verborgen levenswijze, onontdekt. Ze werden pas in 1955 voor het eerst beschreven. Het wijfje legt haar eieren in kleine gaatjes langs de nerf aan de onderkant van het blad. Elk gat krijgt slechts één eitje en wordt met uitwerpselen afgedekt. Na de overwintering komen de eitjes in het voorjaar uit en doorlopen in slechts één tot drie maanden tijd vijf groeistadia tot volwassenheid. Eenmaal geïntroduceerd kunnen deze wantsen dus snel een plaag vormen. Mijn rotsheide zit helemaal vol en het lijkt erop dat hij eraan ten onder zal gaan, steeds meer bladeren worden bruin en vallen af.
 5-2022 2778_290.jpg?cached=1653228192)
Tijdens het fotograferen van deze minuscule wantsen viel me op dat er heel af en toe eentje tussen zat met een gedeukte hoed. Bij veruit de meeste wantsen stond de hoed als een glas in lood koepel fier en bol boven hun kop, maar bij een enkeling leek het alsof iemand hem op zijn hoed had geslagen en zat er een diepe deuk in. Naar hoe deze deuk wordt veroorzaakt kan ik alleen maar gissen, misschien is het wel het resultaat van een gebrek aan ruimte tijdens het ontpoppen. Het zou interessant zijn om te weten of er meer van dergelijke gleufhoed varianten zijn waargenomen. Maar aangezien het hier een zeer klein en obscuur wantsje betreft, verwacht ik niet dat daar onderzoek naar is gedaan.
Lees ook: Bonte geelschild (Campyloneura virgula) en Traumatische inseminatie.