Weblog

Struiksprinkhaan (Leptophyes punctatissima)

vrijdag, 9 juli 2021

nimf struiksprinkhaan (Leptophyes punctatissima) 6-2021 7805-2Eén van de algemeenste sabelsprinkhanen in Nederland is de struiksprinkhaan (Leptophyes punctatissima). Deze ongevleugelde sprinkhaan heeft voelsprieten die langer zijn dan zijn lichaam, een geelgroen bol gedrongen lijf met donkere spikkels en aan elke zijde een witte streep. Ze zijn van juli tot oktober actief en je vindt ze vaak in lage begroeiing, bij ons in de tuin zitten de nimfen vaak op de lavendel. Ze lijken daar niet veel uit te voeren en zitten soms uren achtereen op dezelfde plek.

 

De volwassen wijfjes leggen ‘s nachts in de nazomer hun eitjes één voor één in de zachte bast van een boom of plantenstengel. In totaal leggen ze zo tussen de 120 en 250 eitjes, welke na een overwintering de volgende lente uitkomen. De larven vervellen zes keer tot ze volwassen zijn en leven dan nog ongeveer een maand. De nimfen eten van bloemen en zachte bladeren, de imago’s (volwassenen) schakelen veelal over op boombladeren.

 

Struiksprinkhanen zingen ‘s nachts tussen 19.00 en 03.00uur, ze zingen hard maar ultrasoon, hun lied is voor ons dus onhoorbaar, maar het wordt wel door vleermuisdetectoren opgevangen.

Agrilus cyanescens

zaterdag, 3 juli 2021

Agrilus cyanescens 6-2021 7925In Nederland komen momenteel zo’n 28 verschillende prachtkevers voor. Prachtkevers (Buprestidae) zijn een kleurrijke keversoort die vooral van de tropen bekend zijn. Omdat ze vaak een mooie tekening met fraaie kleuren hebben, zijn deze kevers onder verzamelaars zeer gewild. De Nederlands soorten zijn echter vrij klein en relatief onopvallend. Bijna alle Nederlandse prachtkevers zijn vernoemd naar hun waardbomen, zo kennen we de eikenprachtkever, essenprachtkever, etc. Maar een uniforme Nederlandse naamgeving blijft lastig en officieel heeft Agrilus cyanescens er nog geen. Omdat hij veel op kamperfoelie wordt gevonden, wordt hij officieus vaak kamperfoelieprachtkever genoemd.

 

Agrilus cyanescens 6-2021 7884Agrilus cyanescens 6-2021 7872Dit kleine (3,5 tot 5,5mm lange) kevertje is metallisch blauw en heeft net als de meeste prachtkevers een gestroomlijnd lichaam. Hij lijkt sterk op Agrilus sulcicollis, die op eiken leeft, maar onderscheidt zich met zijn plompere bouw, gewelfde halschild met ronde zijdes en de lengtegroef over zijn kop.

 

Agrilus cyanescens 6-2021 7858Agrilus cyanescens 6-2021 7850In juni en juli worden de eitjes door de kevers op kamperfoelie (Lonicera) afgezet, in tuinen leven ze echter ook wel op sneeuwbal (Symphoricarpos albus). Om uitdroging te voorkomen gebeurt dit meestal aan de schaduwkant van de waardplant. Als de larven uitkomen, vreten deze zich direct door de bast naar binnen. Daar leven ze tussen de bast en het hout van het voedzame cambium. Omdat ze lange kronkelige gangen vreten kan een boom, als er veel prachtkever-larven in leven, sterven, omdat zijn sapstroom wordt afgesneden. Om die reden worden prachtkevers vaak als plaag gezien. Na twee winters verpopt de larve en vliegt via een klein ovaal gat in de bast uit. Vanwege onze steeds mildere winters en warme zomers zullen deze warmte minnende soorten in de toekomst waarschijnlijk alleen maar algemener worden.  

 

Kijk voor andere prachtkevers hier: Chrysochroa buquetti, Cypogastra javanica, Euchroma gigantea, Lampropepla rothschildi, Polybothris sumptuosa gema, Sternocera aequisignata en Sternocera boucardii congo.

Kleine knotswesp (Sapygina decemguttata)

donderdag, 1 juli 2021

kleine knotswesp (Sapygina decemguttata) 7-2021 7958Ons bijenhotel wordt al jaren druk door tronkenbijtjes (Heriades truncorum) bewoond. Ze vliegen af en aan met stuifmeel en bergen dit op in de smalle gangetjes van het bijenhotel. Op dit stuifmeel wordt steeds één eitje gelegd, waarna elke cel met een dun laagje was wordt afgesloten en aan een nieuwe cel wordt begonnen.

 

Naast de opening van zo’n bamboestokje zitten vaak kleine knotswespen. Deze wachten geduldig tot de tronkenbij haar eitje heeft gelegd en zij wegvliegt om de cel af te sluiten. Het slanke wespje wurmt zich dan achterwaarts door de opening naar binnen en legt vliegensvlug haar eigen eitje in de cel van de tronkenbij, dit hele proces duurt slechts een paar seconden. Het gele stuifmeel wat als bewijs van de misdaad op het achterlijf van de knotswesp achterblijft, wordt buiten meteen weer weggepoetst. Omdat het wespeneitje al na twee, drie dagen uitkomt en het eitje van de tronkenbij pas na vier a vijf dagen, maakt het bijeneitje geen enkele kans. Soms wordt één cel van de tronkenbij op deze manier zelfs door meerdere knotswespen geparasiteerd. De eerste wespenlarve die uitkomt, gaat op zoek naar eventuele andere wespeneitjes en doodt deze nog voor hij aan het bijeneitje begint. Het eerste larvestadium heeft daarvoor speciale grote kaken. Pas als hij deze na vijf a zeven dagen helemaal heeft uitgezogen, begint hij aan de stuifmeelvoorraad om na zo’n 18 a 21 dagen een cocon te kunnen spinnen en zich te verpoppen.

 

kleine knotswesp (Sapygina decemguttata) 6-2021 7910kleine knotswesp (Sapygina decemguttata) 6-2021 7901De kleine knotswesp is vrij zeldzaam, en wordt pas sinds 1950 in ons land gevonden. Het slanke wespje heeft een buisvormig lichaam en wordt zo’n 6 a 9mm lang. Het is zwart met enkele geelwitte stippen en de mannetjes hebben knotsvormige antennes. Ze zijn zo succesvol dat er in veel bijenhotels bij ruim een derde van de tronkenbij-cellen een knotswesp uitkomt. De meeste kans om er een te zien is dan ook van juni tot augustus, als ze zich bij de steeds populairdere bijenhotels ophouden.

 

Lees ook: Tronkenbij (Heriades truncorum) en Appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis).

Koolmees sterfte (Parus major)

zondag, 20 juni 2021

dode jonge koolmeesjes (Parus major) 6-2021 7788-Een koolmezenpaartje in onze tuin had acht eitjes in ons nestkastje gelegd, vijf daarvan kwamen uit. Gedurende een aantal dagen vlogen beide ouders af en aan tot we op een vroege avond één van de ouders uit het kastje zagen komen. Deze zag er wat gehavend uit en ging gelijk op de schutting naast het kastje zitten. Met opgezette veren en dichte ogen zat deze koolmees daar enkele minuten onbeschermd en in het volle zicht. Op een gegeven moment gingen haar oogjes open, maar ze bleef suf en afwezig, tot ze weer terug op het nestje vloog. Vlak daarna vloog ze weer naar buiten, de hele avond daarna hebben beide ouders het nestje niet meer bezocht.

 

Ook de volgende dag zagen we ze niet op het nest terugkeren en aan het einde van de dag hoorden we de jonkies niet meer piepen. Toen we het kastje openmaakten vonden we wat we verwachtten, alle vijf de jonkies waren dood.

 

versufte koolmees (Parus major) 6-2021 7715Er is sinds 1996 een flinke sterftetoename onder kool- en pimpelmezen. Vooral in de stedelijke omgeving. De eerste meldingen kwamen uit Engeland, maar al snel volgden andere landen waaronder Nederland. Onderzoek leerde dat de mogelijke oorzaak lag bij een Suttonella ornithocola besmetting, een vogelvirus dat een dodelijke longontsteking kan veroorzaken. Eén van de symptomen van besmetting is dat het vogeltje suf wordt, met de veren bol opgezet blijft zitten en zijn schuwheid verliest, eigenlijk dus zoals onze koolmees zich gedroeg. Dit virus is ongevaarlijk voor mensen en huisdieren, maar kan wel flink huishouden onder kleine zangvogeltjes.

 

Een andere oorzaak die veel voor deze vogelsterfte wordt aangegeven is gif. Nu veel mensen last hebben van buxusmotten en kwistig met gif spuiten, zou dit net als het omstreden gif Xentari dat veelvuldig door gemeentes tegen de eikenprocessierupsen wordt ingezet, een oorzaak kunnen zijn. Onderzoek leert echter dat dit toch maar een kleine factor is, invloedrijker blijken de gifstoffen te zijn die huisdiereigenaren tegen vlooien inzetten. Koolmeesjes maken graag gebruik van de losse honden- en kattenharen, die in plukken door huisdiereigenaren buiten worden achtergelaten, om hun nestjes mee te voeren. Het gif op deze haren dringt gemakkelijk via het contact met de blote huid bij de jonge kuikens binnen. Voor al die mensen die denken dat het gebruik van gif een oplossing is, wil ik ze graag adviseren om het boek van Rachel Carsons uit 1962: A Silent Spring, eens te lezen. Alhoewel het gebruik van DDT hier al 50 jaar is verboden, wordt dit gif nog steeds in dode dieren aangetroffen, dit geeft wel aan hoe langwerkend en onvergeeflijk het gebruik van dergelijke gifstoffen is.

 

De meest plausibele verklaring voor de koolmezensterfte ligt echter bij de insectenpopulaties. Deze nemen jaar na jaar af en voedselgebrek is hoogstwaarschijnlijk dan ook de belangrijkste factor. Een koolmeesjong dat slechts één dag niet wordt gevoerd, krijgt een maagdarmbloeding en gaat dood. De huidige klimaatveranderingen en de verstening van de stedelijke leefomgeving zorgen er in steeds grotere mate voor dat er niet genoeg voedsel voor kleine zangvogeltjes overblijft. De ouders kunnen zich nog wel voeden met zaden ed., maar de jonkies zijn volledig van insecten afhankelijk. Als ik vanuit mijn zolderraam naar de tuinen van onze buren kijk, zie ik alleen maar overkappingen en tegels. Iedereen heeft zijn achtertuintje ingericht om te zitten en te barbecueën. De spaarse planten die er te zien zijn, beperken zich tot een enkele bloembak of pot, lang niet voldoende en divers genoeg om de broodnodige insecten te herbergen. Zelfs in onze tuin, waar het groen ver de overhand heeft en meer dan veertig verschillende plantensoorten groeien, vind ik jaar na jaar minder insecten.

 

Iedereen zal op een andere manier met de zijn beschikbare ruimte moeten leren omgaan en zich realiseren dat het belangrijk is dat wij verkoeling en afwatering in onze steden via onze groenvoorzieningen moeten gaan beheren. Ik wil dan ook iedereen oproepen om hun stenen barbecue woestijn om te toveren in een insectvriendelijke en groene tuin.

 

Lees ook: Jonge duiven en duivenmelk, Buxusmot (Cydalima perspectalis), Zo maar dood, Jonge merels en Groeten uit eigen tuin.

Het lelijke meerkoetje (Fulica atra)

dinsdag, 15 juni 2021

meerkoet (Fulica atra) 5-2021 7092Dat Hans Christian Andersen in 1843 een zwanenkuiken als lelijk eendje omschreef heb ik nooit echt begrepen. Ok, zwanenkuikens zijn wat grauwer en groter dan eendenkuikens, maar verder verschillen ze niet zoveel van elkaar, ze zijn tenslotte allebei schattig. Als hij een echt lelijk kuiken tussen die jonge eendjes in had willen beschrijven, had hij voor een meerkoetjong moeten gaan. Lelijker als meerkoetkuikens zijn er niet veel. Hun koppies lijken nog het meest op een testikel met een snavel en hun vaal zwarte vacht met lange gele haren op een stofnest dat te lang achter de kast heeft gelegen. Als er al mensen langs de kant van een sloot blijven staan om naar een meerkoetkuiken te staren is dat van verbazing over hun lelijkheid.

 

 

meerkoet (Fulica atra) 5-2021 7210-meerkoet (Fulica atra) 5-2021 7124Maar ja een volwassen meerkoet is op zich natuurlijk ook geen schoonheid, met die bloedrode oogjes en zijn spierwitte snavel met voorhoofdschild is hij eerder iets om bang van te worden. Dat venijnige uiterlijk gaat ook nog eens gepaard met een behoorlijke agressieve dispositie, waardoor er niemand zo gek is om een meerkoet te willen aaien.

 

meerkoet (Fulica atra) 5-2021 7162-meerkoet (Fulica atra) 5-2021 7154Toen ik deze jonge meerkoetjes aan de slootkant fotografeerde, viel me op dat zij ook al iets duivels over zich hadden. Hun bloeddoorlopen koppies werden in het tegenlicht omgeven door een vlammende krans van gele veren, het leek wel alsof ze in de brand stonden. Als ze groter worden verliezen ze deze gele veren en krijgen ze het volledig zwarte rouwkleed van hun ouders, dat helse vuur schijnt dan alleen nog door hun bloedrode ogen naar buiten.

 

Lees ook: Jonge gansjes (Branta canadensis), Doodenge meerkoet, Parende meerkoeten en Koploze meerkoeten.

Appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis)

dinsdag, 15 juni 2021

appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis) 6-2021 7547-In een grote pot in onze tuin staat al jarenlang een appelboom. Hij geeft niet veel appels maar zijn bloesem lokt altijd veel insecten. Blijkbaar ook de appelglasvlinder, uit de stam staken namelijk nog een flink aantal lege cocons, van waaruit ze waren uitgevlogen.

 

pop appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis) 6-2021 7556-De appelglasvlinder is hier niet algemeen, je komt ze het meest tegen in oude boomgaarden. De mannetjes worden met feromonen door de vrouwtjes gelokt en zwermen s ’middags vaak om de kruinen van de appelbomen. Tijdens de paring steken beide vlinders hun achterlijfborstels in elkaar. Het bevruchte vrouwtje legt tot 250 individuele eitjes in gaten en spleten van de schors. De rupsen vreten zich daar een gang onder de bast en leven op de stam, ze overwinteren onder de bast en verpoppen zich na twee jaar. De rups vreet dan een gat in de bast waaruit de pop enigszins naar buiten steekt, binnen twee weken vliegt ze daarna in de vroege zomer uit. De pop breekt dan langs een lijn tussen de ogen en de antennes open en de volwassen vlinder wringt zich naar buiten. De opengebroken pop blijft als stille getuige uit de bast steken. Omdat deze rupsen flink wat schade aan appelbomen kunnen toebrengen worden ze over het algemeen als plaag beschouwd. Appelglasvlinders leven meestal op appel, maar ook wel op kers, peer of meidoorn.

 

pop appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis) 6-2021 7531pop appelglasvlinder (Synanthedon myopaeformis) 6-2021 7524Appelglasvlinders missen, net als andere wespvlinders, de bekende schubjes op de vleugels, waardoor deze gedeeltelijk doorschijnend zijn. Wespvlinders lijken op en gedragen zich als wespen. In verhouding tot hun lijf zijn hun vleugels niet alleen veel kleiner dan van andere vlinders, maar ook langwerpig. Daarnaast hebben ze vaak de fellere lichaamskleuren van wespen en vliegen ze in tegenstelling tot de meeste andere nachtvlinders overdag.

 

Deze vlinder is wat lastiger te determineren, hij lijkt op de berkenglasvlinder en de wilgenwespvlinder. De wilgenwespvlinder onderscheidt zich van beide door zijn witgetopte antennes en de rode brede achterranden aan de voorvleugels. De berkenglasvlinder heeft rode vleugelwortels en crèmekleurige banden op de poten, die van de appelglasvlinder zijn volledig zwart. De appelglasvlinder staat op de rode lijst.

 

lissonota fundator 6-2021 7588In de appelteelt gebruikt men veelal feromoonvallen om de appelglasvlinders onder controle te houden. Bij mijn appelboom zorgen sluipwespen daarvoor. De slanke zwarte sluipwespen, voor zo ver als ik ze heb kunnen determineren hoogst waarschijnlijk Lissonota fundator, kruipen over de stam op zoek naar een rups.

 

lissonota fundator 6-2021 7609lissonota fundator 6-2021 7593Met hun gevoelige antennes kunnen ze die zelfs onder de schors vinden. Als er één is gelokaliseerd, bepaalt de wesp uiterst secuur de plaats waar ze met haar legboor door de bast heen boort. Met haar lange ovipositor legt ze dan een eitje op de rups van de appelglasvlinder. Het eitje komt pas uit als de rups verpopt. De sluipwesp eet dan de rups op en vliegt zelf via het door de rups gemaakte gat uit.

Jonge gansjes (Branta canadensis)

zaterdag, 12 juni 2021

Canadese gans (Branta canadensis) 5-2021 7194Jonge dieren vertederen. Hoewel bijna niemand de neiging heeft om een volwassen gans te aaien, gaat vrijwel iedereen overstag voor hun kuikens. Bij mijn ouders in de sloot voor hun flat leeft een paartje Canadese ganzen met hun jongen. Vrijwel iedereen die langsloopt blijft even naar die onbeholpen gele pluizenbollen staan kijken. Aan de slootkant lopen ze nog wat onwennig op hun te grote poten, maar in het water kunnen ze er al goed mee uit de voeten.

 

Canadese gans (Branta canadensis) 5-2021 7182Canadese gans (Branta canadensis) 5-2021 7191Canadese gans (Branta canadensis) 5-2021 7321Canadese gans (Branta canadensis) 5-2021 7240Als ik iemand mijn beste foto’s van spinnen of insecten laat zien, levert dat hoogstens een reactie op als: “mooi scherp..”, maar bij mijn foto’s van jonge gansjes roept vrijwel iedereen, “ach wat schattig, kun je die doormailen?“ Als ik van mijn foto’s zou moeten leven, zou ik alleen nog maar foto’s maken van jonge dieren, succes verzekerd.

 

Lees ook: De aaibaarheidsfactor, Huisgans (Anser domesticus), Schattigheid als overlevingstactiek en Rotganzen en Aswoensdag.

Zelfgemaakt mes no. 16 en 17

zaterdag, 12 juni 2021

ZGM 16 6-2021 7494ZGM 17 6-2021 7508Deze twee mesjes zijn experimenten. Ten eerste omdat ze allebei volledig uit één stuk staal zijn gemaakt en ten tweede omdat ze met zwart ijzeroxide zijn afgewerkt. Ik wilde al langer eens proberen om een mesje uit één stuk staal te maken en omdat ik nog een lekker dik stuk L-6 gereedschapstaal had liggen én dit een niet roestvast koolstofstaal is, heb ik dat gebruikt. L-6 heeft een koolstofgehalte van 0,7% en behoort dus tot de hoog koolstofstalen, mits in olie gehard kan het een hardheid tot 64HRC bereiken. Omdat het bekend staat om zijn schokbestendigheid en vormbehoud wordt het ook wel voor zwaarden gebruikt.

 

Mesje no. 16 heeft afgeronde vormen en lijnen. Het lemmet met de valse snede is hol geslepen en alle randen aan het handvat zijn afgerond. Omdat ik genoeg dikte bij het handvat wilde overhouden en tegelijkertijd een mooi dun snijvlak wilde, is het lemmet t.o.v. het heft dunner geslepen. Vlak voor de overgang is het handvat nog 9mm dik, het lemmet direct daarna slechts 3mm. Om stresspunten zoveel mogelijk te vermijden is deze overgang van dik staal naar het slankere lemmet geleidelijk. Een rechte voelbare rand aan het lemmet geeft duidelijk aan waar deze overgang begint.

 

ZGM 16 6-2021 7483ZGM 16 6-2021 7497ZGM 16 6-2021 7496ZGM 16 6-2021 7500Het lemmet loopt taps af naar de punt en is ook naar de achterkant toe taps geslepen. Bij het koordoog is het handvat 4mm dik. Voor het comfort is de hele buik van het handvat volledig afgerond maar de rug slechts in geringe mate, hierdoor blijft er voldoende oppervlak over om je duim op de rug te kunnen leggen. Het hele mesje is 15cm lang, 2cm breed, 9mm dik en weegt 96gram.

 

ZGM 17 6-2021 7512ZGM 17 6-2021 7505ZGM 17 6-2021 7514ZGM 17 6-2021 7516Mesje no. 17 is hoekig en recht. Net als bij 16 is het lemmet smaller dan het handvat, in dit geval zelfs 2mm dik t.o.v. het 9mm dikke handvat. Het staal loopt naar voren en achteren taps af. Bij het koordoog is het handvat 3mm dik. De valse snede loopt als lijn door in het handvat waarna hij halverwege tot aan de onderste punt achteraan het handvat schuin wegloopt. De zijkant van het handvat bestaat uit drie platte vlakken en de overgang naar het lemmet is niet geleidelijk maar in een hoek. Er zitten geen afgeronde vlakken of lijnen in dit mes. In tegenstelling tot mes no. 16 is dit mes niet met schuurpapier nabewerkt, de wat grovere slijplijnen van de schuurmachine zijn dus nog duidelijk zichtbaar op het staal en zorgen voor een ruwer oppervlak. Het hele mesje is 14,5cm lang, 1,8cm breed, 9mm dik en weegt 77gram.

 

Omdat koolstofstaal roest, wilde ik het een duurzame afwerking geven. Bij de stootplaat van mijn 6e mes had ik al een keer met zwart ijzeroxide geëxperimenteerd, bij deze messen heb ik dat proces verbeterd. Door het staal te roesten ontstaat er bruine roest, Fe2O3 die door het te koken via een endothermische reactie wordt omgezet in zwarte roest, Fe3O4, ook wel bekend als magnetiet. Dit is heel hard en heeft de bekende blauwzwarte kleur die je met oud gebruikt ijzer associeert. Afhankelijk van de manier waarop en hoe grof het ijzer is geschuurd, hoe lang het wordt gepekeld, waarin het wordt geroest en afgekookt en waarmee het wordt afgewerkt, kun je verschillende tinten en texturen van de magnetiet afwerking bereiken.  

 

ZGM 16 6-2021 7501-2ZGM 17 6-20217516-2Deze beide mesjes zijn meer dan tien keer geroest en gekookt, waarbij het staal tussentijds steeds met een grove doek werd afgewreven. Het resultaat is een homogene huid van magnetiet die het hele mes bedekt en het een duurzame bescherming geeft. Magnetiet is corrosiebestendig en in tegenstelling tot veel opgebrachte zwarte coatings erg hard en zal daardoor niet makkelijk krassen. Het oxide is bij mesje no. 16 donkergrijs tot diepzwart en heeft een zijdeglans met groene tint. Bij mesje no. 17, waar de slijplijnen voor een ander oppervlak zorgden, is de kleur wat donkerder en de glans wat doffer. Omdat het magnetiet zich daar tussen de richels ophoopte, werd dit tussen de roest-kook beurten in minder snel weggepoetst en resulteerde dat bij de uiteindelijke oxidelaag in dunne zwarte lijntjes in de slijprichting.

Beide mesjes zijn als experiment geslaagd, ik heb er wederom veel van geleerd. Waarschijnlijk pas ik dit oxideproces binnenkort ook eens toe bij het lemmet van een groter mes.

 

Lees ook: Van rode naar zwarte roest, klik hier voor meer zelfgemaakte messen.

Zelfgemaakt mes no. 15

zondag, 16 mei 2021

ZGM 15 5-2021 7370Met een totale lengte van 25cm en een lemmet van “slechts” 12 cm is dit een redelijk bescheiden mes. Het lemmet is speerpuntvormig en van 7 mm dik Bohler N690 gemaakt. Het heeft een hoge vlakke snede en een holgeslepen valse snede die lager komt dan de vlakke snede hoog is. Hierdoor vormen de curves van beide vlakken twee tegengestelde krommingen. Eerst stijgt de curve van het schuine snijvlak, waarna deze even recht loopt en dan weer daalt in de curve van de valse snede en dan recht doorloopt tot in de punt van het mes. De onderste halve centimeter van de snede is convex geslepen, zodat het snijvlak meer laterale kracht aankan en minder kwetsbaar is bij hakken of wrikken. De tang van dit “full-tang” mes loopt naar achteren taps toe, wat voor gewichtsverlaging en een betere balans zorgt.

 

ZGM 15 5-2021 7399ZGM 15 5-2021 7393ZGM 15 5-2021 7354ZGM 15 5-2021 7350Het handvat is gemaakt van zwart linnen micarta en gestabiliseerd hout met zwarte en blauwe liners dat met messing pinnen is vastgezet. De zwarte liners lopen over de volle lengte van het mes, de blauwe alleen langs het hout. Het handvat is met meerdere lagen CA-lijm afgewerkt en daarna gepolijst, wat het een slijtvaste en waterdichte beschermingslaag geeft. Tevens voorkomt dit dat de grijze lijnen in het micarte door vocht of vettigheid kunnen verkleuren en nu dus altijd goed zichtbaar blijven.

 

ZGM 15 5-2021 7365ZGM 15 5-2021 7375ZGM 15 5-2021 7379ZGM 15 5-2021 7381ZGM 15 5-2021 7380ZGM 15 5-2021 7382Van bovenaf bezien accentueren de blauwe en zwarte liners het naar achteren taps aflopen van de tang en versmalt de rug van het mes aan de voorkant tot een dunne lijn waar de valse sneden beginnen. Het 7mm dikke lemmet, samen met de kleine verwijding van het handvat aan de voorkant, zorgen ervoor dat er voldoende oppervlak is om een duim op te leggen als er extra kracht op de rug van het mes moet worden uitgeoefend. 

 

Het hele mes weegt 292 gram, het lemmet is op de breedste plek 4 cm hoog en het handvat maximaal 2,5cm dik. De onderste punt van de achterkant van het handvat, het onderste vlak van de ricasso en het beginpunt van de snede direct achter de choil, liggen alle drie exact in één lijn. De schuine slijplijnen van de snede beginnen aan beide kanten precies bij het begin van de choil. Het lemmet is afgehard tot 59HRC waardoor het zowel taai als hard is, niet snel zal breken en nog goed valt te slijpen.

 

Kijk hier voor andere zelfgemaakte messen.

Tjiftjaf en fitis, birds of a feather

maandag, 19 april 2021

tjiftjaf (Phylloscopus collybita) 4-2021 6991In de natuur komen erg veel soorten voor, waarvan velen, die voor ons mensen, sterk op elkaar lijken en lastig uit elkaar zijn te houden. Als je in een goede vogelgids op zoek gaat naar kleine bruin tot geelgroene zangvogeltje met een lichte tot gele borst en een lichte wenkbrauwstreep, zijn het aantal soorten al snel niet meer op twee handen te tellen. Sommige daarvan lijken zelfs zoveel op elkaar dat ze visueel bijna onmogelijk uit elkaar zijn te houden en men ze beter aan de hand van hun zang of gedrag kan determineren.

 

tjiftjaf (Phylloscopus collybita) 4-2021 6944tjiftjaf (Phylloscopus collybita) 4-2021 6972Twee vaak met elkaar verwarde vogels zijn de tjiftjaf (Phylloscopus collybita) en de fitis (Phylloscopus trochilus). Beide vogels zijn elkaars tweelingsoort en lijken uiterlijk sterk op elkaar. Ze stammen van dezelfde directe voorouder af en zijn onderling genetisch verenigbaar.  Een tjiftjaf en fitis kunnen samen dus wel vruchtbare jongen voortbrengen. De vrouwtjes kiezen hun partners echter aan de hand van hun lied en zullen dus niet snel met hun zustersoort paren.

 

Hoewel een tjiftjaf en fitis zo sterk op elkaar lijken en individuele verschillen hun onderlinge determinatie soms nog verder kunnen bemoeilijken, zijn er toch wat uiterlijke verschillen die houvast kunnen geven.

 

fitis (Phylloscopus trochilus) 4-2017 9648fitis (Phylloscopus trochilus) 4-2017 9641Een tjiftjaf is over het algemeen wat zwaarder gebouwd, heeft een rondere kop, een kortere handpenprojectie, een iets minder opvallende wenkbrauwstreep, een geheel donkere snavel en een wat minder opvallende gele kleur en grauwere borst. Dat zijn echter allemaal verschillen waar je in het veld vaak weinig mee kunt, omdat je daar zelden een tjiftjaf en fitis naast elkaar kunt vergelijken.  Opvallender is het verschil in pootkleur, tjiftjaffen hebben (over het algemeen, ook hier bestaan weer uitzonderingen) donkere porten terwijl die van de fitis veel lichter en rozebruin zijn. Tjiftjaffen hebben daarnaast een herkenbare tic, tijdens het bewegen over takken slaan ze regelmatig met hun staart naar beneden, een beetje alsof ze de tak willen afkloppen, iets wat fitissen niet doen.

 

Ze zijn echter veel makkelijker met hun zang uit elkaar te houden, de fitis zingt een melodieus riedeltje terwijl de tjiftjaf zichzelf steeds roept. Aan dit saaiere lied dankt hij dan ook zijn onomatopoëtische naam.