Dit mes is gebaseerd op een traditioneel Japans tanto mes. Messen met deze specifieke vorm noemt men in Japan Takenoko-zori, de vorm van een bamboescheut. Deze stijl is in het midden van de Kamakura periode (1185-1333) ontstaan, in de tijd dat de macht van de keizer in Kyoto overging naar die van het eerste militaire shogunaat, geleid door Minamoto no Yoritomo vanuit de kuststad Kamakura.



Japanse zwaarden en messen voldoen aan strikte stijlregels en vrijwel elke vorm en variatie is nauwkeurig omschreven. Aangezien het onmogelijk is om hier elk vormaspect en elke stijlkeuze te bespreken, zal ik me beperken tot die waar ik bij het ontwerpen van dit mes rekening mee heb geprobeerd te houden. Om te beginnen is dit natuurlijk geen echte Japanse mes, het is niet op de traditionele manier en niet met het juiste staal gemaakt. Ik heb slechts geprobeerd om me in de stijl en fabricage van een traditionele tanto te verdiepen door er zelf een te maken. Je kunt iets bestuderen, er over lezen en proberen om op die manier een inzicht in een cultuur te krijgen, er zijn echter ook inzichten die je alleen door iets te maken kunt verkrijgen.
Dit mes bestaat uit vijf delen, het lemmet (toshin), de stootplaat (tsuba), de houten pin (mekugi), het houden handvat (tsuka) en de houten schede (saya). Het wordt door de mekugi bij elkaar gehouden en kan ten alle tijden worden gedemonteerd om het te repareren of schoon te maken.
Toshin
Het lemmet is gemaakt uit 1095 staal, een bekend verenstaal waarvoor ik toch veel moeite heb moeten doen om het te kunnen vinden. Voor deze messen en veel Japanse zwaarden worden vaak eenvoudige koolstof staalsoorten zoals w2 en 1095 gebruikt omdat deze ondiep hardend zijn en daardoor een duidelijk zichtbare hardingslijn (hamon) krijgen.
Dit mes is een sun-zumari-tanto (kleiner dan 25 cm) dat in de hira-zukuri stijl is geslepen, het heeft een enkel snijvlak dat van snede tot rug loopt. Het lemmet (nagasa) loopt zowel in de hoogte als in de breedte naar de punt licht taps af, net als de angel (nakago) dat naar achteren doet. De rug (mune) is in de iori-mune stijl (de vorm van een tempeldak) gemaakt. De snede is vlak achter het snijvlak (ha) licht convex (ha-niku), waardoor het sterker is en minder snel kleeft bij het snijden. De lijn van de snede loopt op een zo natuurlijk mogelijke manier door naar de punt (kissaki). Het lemmet wordt van de angel gescheiden door twee haakse inkepingen, de muni-machi bij de rug en de ha-machi bij de snede. De lemmetbreedte heeft een minimale fumbari (verbreding), vlak voor de ha-machi wordt het iets lager. De eerste paar centimeter van de snede zijn niet helemaal scherp, deze zogenaamde ubuha geeft aan dat het mes nog nieuw is en nog niet vaak is her-slepen. De nakago heeft een vlakke rug en een gat voor de mekugi (mekugi-ana). Dit gat is taps en loopt van de omoto-kant (linkerzijde) enigszins taps toe naar de ura-kant (rechterzijde|). Op deze manier klemt de mekugi maximaal in de nakago.
Een Japans zwaard, zoals de beroemde katana, werd aan de linkerkant met de snede omhoog in de zwaardriem (obi) gedragen. De kant die de tegenstander zag bij het trekken van het zwaard is de omote-kant, de zichtkant van het lemmet, de ander kant is de ura (de verborgen kant). Als men in Japan een zwaard of mes presenteert doet, men dit met de omote naar voren.

Het lemmet is gedeeltelijk gehard, na het slijpen heb ik een mengsel van klei, gemalen houtskool en zwart ijzeroxide over het bovenste twee-derde en de rug van het lemmet aangebracht en laten drogen. Nadat het staal tot zo’n 830 C was verhit is het snel in olie afgekoeld. Aangezien het staal waar de klei zat, minder snel afschrikt, blijft dit iets zachter. Dit zorgt voor een harde snede en zachtere rug, wat het mes scherp en sterk maakt. De overgang van dit hardere staal (yakiba) naar zachtere staal (ji) is bij ondiep hardende staalsoorten zichtbaar als een kenmerkende hardingslijn (hamon). Na het temperen van het staal is het opgeschuurd en met waterstenen geslepen. Door het daarna regelmatig met citroensap in te wrijven is het staal geoxideerd en donkerder geworden. Traditioneel werd dit staal daarna weer gepolijst, ik heb echter besloten om het donker te houden, omdat ik dat beter bij de stijl van het mes vond passen.
Tsuba

De stootplaat is uit een dik stuk koper gemaakt. Het is met vijlen zo gevormd dat, als het over de nakago wordt geschoven, het strak tegen de mune-machi en ha-machi ligt. De tsuba heeft een gehamerd oppervlak (tsuchime-ji tsuba) met een omgeslagen rand (uchikaeshi-mimi). Na het hameren is het verhit zodat het een mooi patina kreeg.
Mekugi

Traditioneel maakt men deze pinnen uit oud bamboe dat uit plafonds boven een open haard kwam (susudake) en dat door de jaren heen door de rook taai en sterk was geworden. Omdat ik dergelijk bamboe niet kon krijgen heb ik de mekugi uit een stuk oud eikenhout dat van een whiskyvat kwam gemaakt.
Tsuka


Oorspronkelijk maakt men in Japan de handvaten en schedes uit magnoliahout. Een goed Europees alternatief is Linde, net als Magnolia is het goed te bewerken, krimpt het amper en is het redelijk zuurneutraal waardoor het staal niet wordt aangetast. Nadat een stuk zo was door gezaagd dat de nerf in de lengte liep en haaks op het snijvlak stond, zijn beide kanten met mesjes en beitels uitgehold. De omote-kant werd daarbij iets dieper uitgesneden dan de ura. De angel klemt zich daardoor lichtjes vast in de omote-kant en dit zorgt ervoor dat als beide helften tegen elkaar zijn gelijmd, het breukvlak niet tegen de snede ligt, waardoor beide hefthelften minder snel uit elkaar kunnen worden geduwd. In plaats van met traditionele rijstlijm heb ik beide helften met houtlijm bevestigd. Het gat voor de mekugi loopt, net als in de angel, taps en is het breedst aan de omote. Het handvat is aan de buitenkant met een mes in vorm gesneden, waarbij de sneden nog goed zichtbaar zijn. Aan de omote-kant is achteraan het handvat een kleine inkeping gesneden, zodat je altijd kunt voelen aan welke kant de snede ligt. Het hout is met leerinkt gekleurd en met olie afgewerkt. De tsuka loopt naar achteren in beide richtingen iets taps af en vloeit in lijn gezien vanaf de mune mooi door vanuit het lemmet.
Saya

De saya is op dezelfde manier als de tsuka gemaakt, alleen zijn er hier twee smalle banden touw omheen gewikkeld, wat beide helften steviger tegen elkaar houdt en beter grip geeft. Uit een oude koperen waterleiding heb ik een scharnier met ring gemaakt, deze vervangt de kurigata, het opstaande oog dat aan de saya zit en waarmee het met een koord aan de zwaardriem werd bevestigd. Op dit koper zijn de hamerslagen, net als op de tsuba, goed zichtbaar.
Het mes is bewust eenvoudig gehouden, ik wilde me zoveel mogelijk beperken tot de essentie en voorkomen dat ik mezelf verloor in de vele fraaie details die er voor dit soort messen mogelijk zijn. Door het maken van deze tanto is mijn begrip en kennis een stuk verder naar die van de Japanse cultuur geschoven. Net zoals dit eerder gebeurde bij mijn Arabische en Indonesische messen. Ik heb lang moeten denken over een juiste naam voor dit mes, maar besloot hem uiteindelijk Benkei te noemen. Een van mijn allereerste Japanse houtsnedes (ukiyo-e) was een prent van Utagawa Kuniyoshi uit 1843 met daarop Saito Musashibo Benkei, de beroemde monnik die naast Yoshitsune streed. Net zoals die prent mij destijds een ingang in de rijke wereld van de Japanse prentkunst bood, doet dit mes dat in die van de Japanse traditie van messen maken.

Het eenvoudige kistje is volledig uit afvalhout gemaakt en afgewerkt met Deense olie. Het mes rust op leren stroken en zit stevig geklemd zodat het niet rammelt of beschadigt. In een van de vakjes ligt een mekugi-nuki, een kleine houten wig waarmee je de mekugi uit de tsuka kunt duwen. Deze is uit hetzelfde eikenhout gemaakt als de mekugi zelf en heeft een kort leren riempje waarmee hij kan worden opgehangen of bevestigd.
Het mes is 27,3 cm lang. Het mes en de schede samen zijn 31 cm lang. Het lemmet is uit 1095 staal, 15,7 cm lang en 5,5mm dik. Het mes weegt 177 gram, de schede slechts 55 gram.
Klik hier voor meer foto’s van zgm no. 33 (Benkei) en hier voor meer foto’s van andere zelfgemaakte messen.
Lees ook: Zelfgemaakt mes no. 29 (Keris hujan – de regenkris), Zelfgemaakt mes no. 28 (Tulipan), Zelfgemaakte mes no. 26 (Aculeus), Zelfgemaakt mes no. 31 (Hagalaz) inclusief schede en kistje en Zelfgemaakt mes no. 22 (Corax).
Geen reacties
Reageer: