Net als de schede van Aculeus (ZGM no. 26) ligt de oorsprong van deze schede bij een stripverhaal. In dit geval bij Le repaire de la Murene (Het schuilhol van het zeemonster) van André Franquin uit 1954, één van mijn favoriete Robbedoes verhalen.
Nog voor ik aan de schede begon, had ik al een naam voor het mes gekozen. Vanwege de vele tegenslagen bij het ontwerp- en maakproces dacht ik eerst aan “tegenslag”, ook heb ik even getwijfeld aan “grasspriet”, vanwege de organische krommingen en lijnen van het lemmet. Uiteindelijk heb ik gekozen voor “moeraal”. Deze slangachtige vis verstopt zich graag in nauwe gangen en tussen stenen en kan daar bliksemsnel uit naar buiten schieten om zijn prooi te pakken. De beet van een moeraal is venijnig en erg gevaarlijk. Als dit mes de moeraal is, dan functioneert deze schede als het hol van de moeraal.

Dit unieke mes verdiende een unieke schede, ik wilde die echter niet uit leer maken en ook niet zoals bij kukri-messen uit met leer bekleed hout. Ik zocht naar een vorm en materiaal waardoor de schede niet alleen een bijbehorend onderdeel van het mes zou worden maar ook een op zichzelf staand voorwerp. Hij moest erbij passen, maar mocht qua vorm en materiaal geen copy van het mes worden. Ik wilde er daarnaast ook voor zorgen dat de vorm, net zoals bij het lemmet, iets organisch had en eruit zag alsof deze zo was gegroeid. Uiteindelijk heb ik gekozen voor een relatief sobere houten schede uit Ovangkol hout (Guibourtia ehie).



Als eerste zaagde ik een lang stuk Ovangkol in de lengte door, waarna ik beide stukken zo uitholde dat het lemmet daar samen met een fluwelen voering in zou passen. Beide stukken zijn niet even diep uitgehold, één zijde is dieper, waardoor de snede van het lemmet, als beide helften tegen elkaar waren gelijmd, niet op het lijmvlak kwam te liggen en deze dus ook niet uit elkaar zou kunnen duwen. De mond of kraag van de schede is met vijlen en mesjes zo gevormd dat de onderste kant van het handvat daarin ligt als het mes in de schede zit. Omdat het lemmet een flinke kromming heeft, moest de vorm van de binnenkant van de schede daar zo op worden aangepast dat hij onbelemmerd in en uit de schede kon worden gehaald, zonder dat het lemmet te ruim zat. Om die reden is de opening van de schede ook net iets breder dan het handvat zelf.

Ik wilde graag dat de overgang van schede naar mond zo natuurlijk mogelijk aanvoelde, bijna alsof iemand een stuk zacht hout met de hand om het mes heen had gevormd en daarna had laten drogen. Aan de voor- en achterzijde van de schede zijn twee langere stroken reststaal ingelegd in het hout. Deze komen ook uit het oorspronkelijke kukri- lemmet en hebben beide opstaande gleuven waarmee de schede aan een riem kan worden gehangen. De schede is met Deense olie afgewerkt en daarna met Renaissance was opgepoetst.
De schede is 36cm x 3,5cm x 6,3cm en weegt 158gram.
Klik hier voor meer foto’s van ZGM no. 32 Moeraal en zijn schede, hier voor meer berichten over mijn zelfgemaakte messen en hier voor meer foto’s van deze messen.
Lees ook: Een schede voor Aculeus, Messchede voor ZGM 22 Corax, Schede voor mes no. 6 en Een schede en een kistje voor Aninga (ZGM no. 30).
Geen reacties
Reageer: