Sommige messen, zoals Hagalaz (ZGM no. 31), maken zichzelf en zijn in één keer goed. Andere messen, zoals deze, verschijnen pas na een lange strijd en komen daar altijd anders uit dan je had bedacht. Het stuk staal, waaruit dit werkstuk is gemaakt, was oorspronkelijk bedoeld voor een breed kukri-mes, echter ging er iets goed fout bij het slijpen van de groeven die ik in het lemmet had ontworpen, waardoor ik er geen vertrouwen meer in had. Ik heb toen na lang dubben een nieuw ontwerp gemaakt, waarbij ik een stuk van het lemmet, dat al was geslepen en dat ik nog kon redden, samen met een stuk van de restvorm in het staal kon combineren tot een heel nieuw ontwerp. Iets van de vorm van het oorspronkelijke ontwerp is bewaard gebleven, ik wilde sowieso weer een aantal bloedgleuven in het lemmet verwerken en de kenmerkende kromming van een kukri bepaalde ook nu weer de vorm van het nieuwe ontwerp. Alleen zou het dus niet meer een “echte” kukri kunnen worden. Ik moest dus op zoek naar een andere cultuur van waaruit dit mes zou zijn ontstaan. Net als bij Hagalaz greep ik terug op de beeldentaal van de Lord of the Rings films. Dit nieuwe mes moest een alternatief vechtmes voor Legolas worden en tegelijkertijd iets van zijn kukri-oorsprong bewaren. Een uniek hybride mes, met zijn eigen verhaal en vormgeving, dat niet in Tolkiens wereld zou misstaan.



Voor diegenen die niet bekend zijn met Legolas, hij is een boself uit Tolkiens meesterwerk, In de ban van de ring, die niet alleen goed kan boogschieten, maar ook twee beruchte lange dunne messen heeft, waarmee hij regelmatig orks en aardmannen afslacht. Dit mes moest een amalgaam worden van de cultuur van de elven en de Nepalese kukri én eruitzien alsof het in de strijd zou overleven.
Het was mijn bedoeling dat het lemmet iets organisch en vloeiends kreeg, alsof het van nature zo was gegroeid. Het heeft een duidelijke kromming met een brede bloedgeul die vanaf de onderkant van de ricasso over de volle lengte van het mes naar de punt loopt. De rug van het mes heeft, vanaf het raakpunt met de snede, over de volle lengte een valse snede en gaat vlak voor de ricasso over in de aanzet van een bloedgeul. Van bovenaf bezien lijkt de punt van het mes op die van een lange pijl waarvan de smalle rug de schacht vormt. De snede is over de volle lengte hol geslepen en ligt zo tegen de bloedgeul aan, dat de lijnen van de bloedgeul en de snede parallel lopen. In plaats van aan de bovenkant van het lemmet, zoals gewoonlijk is bij veel messen, is bij dit mes juist de ricasso aan de onderkant van het mes op de volle dikte van het lemmet.

Nadat dit mes was gehard, had de harder in plaats van op de angel zijn hardheidstesten helaas op de ricasso gedaan, waardoor daar enkele diepe punten in het staal waren geslagen. Als ik deze eruit had willen slijpen had ik de ricasso aan beide kanten moeten bijslijpen, waardoor de aanzet van de bloedgeulen en dus ook de lijnen van het lemmet zouden veranderen. Ik besloot liever om een passende habaki, een metalen kraag om de ricasso, te maken. Deze habaki heb ik net als de seppa en de spacers in het handvat, uit stukjes koper uit een oude waterleiding gemaakt. Dit koper is na het in vorm hameren en solderen, opnieuw verhit, waardoor het oxideerde en een verweerd uiterlijk kreeg. Daarna zijn aan de kopse kanten opgeschuurd, zodat daar de kenmerkende koperkleur weer zichtbaar werd.

Het lange slanke handvat vormt ten opzichte van het lemmet een duidelijke recurve waardoor de contouren van het hele mes enigszins doen denken aan die van een grasspriet of van een slang. De vorm, het zwarte ebbenhout en de stalen spacers en pommel zijn verwijzingen naar de Nepalese oorsprong van het ontwerp, ware het niet dat het handvat hier veel slanker is en je het gevoel moeten geven alsof je er een levend stuk staal mee vasthoudt. De angel van het mes loopt ver in het handvat door en is met een mozaïekpin en meerdere verborgen pinnen vastgezet. De balans van het mes ligt precies op de overgang van de ricasso naar de habaki. De stalen guard, achterspacer, dikke middenspacers en de pommel zijn allemaal uit reststukjes staal van het oorspronkelijke kukri-lemmet geslepen. Deze zijn met relatief grove vijlen bewerkt en daarna licht opgeschuurd, zodat de vijllijnen nog zichtbaar zijn.
Het lemmet, de pommel en de stalen spacers zijn uit D2-staal gemaakt. Het handvat is van ebbenhout met roodkopere spacers en met onzichtbare stalen pinnen, een mozaïekpin en epoxy aan het lemmet vastgezet. Het handvat is met Renaissancewas afgewerkt. Het lemmet is 27cm lang en bij de ricasso 7mm dik. Het hele mes is 41cm lang en weegt 431gram.
Klik hier voor meer foto’s van ZGM no. 32 Moeraal, hier voor meer berichten over mijn zelfgemaakte messen en hier voor meer foto’s van deze messen.
Lees ook: Zelfgemaakt mes no. 31 (Hagalaz) inclusief schede en kistje, Zelfgemaakt mes no. 30 (Aninga), Zelfgemaakt mes no. 29 (Keris hujan – de regenkris) en Zelfgemaakt mes no. 28 (Tulipan).
Geen reacties
Reageer: