
Homalocantha zamboi wordt slechts 5cm groot en is vrij algemeen. Zijn vorm en stekels plaatsen hen duidelijk tussen de Muricidae (Stekelhoorns). Zijn lange sifonale kanaal is bijna gesloten, terwijl de laatste vier aders op de winding net als het sifonale kanaal zijn voorzien van karakteristieke lange holle uitsteeksels die naar het uiteinde toe breder worden. Deze schelpen leven op koraalriffen bij Honshu en de Filippijnen.
Weblog
Homalocantha zamboi
Bonte geelschild (Campyloneura virgula)
 7-2015 2846_200.jpg)
Toen ik onlangs foto’s maakte van een aantal bladluismummies in mijn tuin viel me op dat daar regelmatig ook roofwantsen bij zaten. Op zich is dat niet vreemd want deze specifieke wants, de bonte geelschild (Campyloneura virgula) voedt zich graag met bladluizen. Toch liet hij voor een bladluismummie enkele levende bladluizen links liggen. Alsof hij wist dat er zich onder de lege huid van deze mummie een cocon met een wespenlarve bevond. Eerste probeerde hij van bovenaf bij de cocon te komen, toen dat niet lukte wikte hij de hele stellage los en kantelde hem op zijn zij. Via de onderkant stak hij daarna zijn lange steeksnuit (rostrum) in de cocon en voedde zich , naar ik aanneem, met de larve. Nu had ik deze wantsen zich al eerder met kleine bladwespen zien voeden, dit was echter de eerste keer dat ik ze ook actief op zoek zag gaan naar de zo goed verstopte larve van een bladluissluipwesp (Discritulus planiceps).
Campyloneura virgula is een kleine, 4 tot 5 mm grote roofwants die zich razendsnel kan voortbewegen en soms ook mensen steekt. Je ziet ze vaak op bomen en struiken rondrennen waar ze op kleine prooien zoals bladluizen en rode mijten jagen. Deze wants hoort tot de zogenaamde blindwantsen (Miridae). Veel insecten en dus ook wantsen hebben op hun kop een aantal (meestal 3) kleine oogpunten (ocelli), waarmee ze licht en donker kunnen onderscheiden. De blindwantsen hebben deze ocelli niet, vandaar hun naam. De volwassenen en eieren overwinteren en de jonge nimfen komen in mei tevoorschijn. In Europa kom je vrijwel uitsluitend wijfjes tegen die zich parthenogenetisch voortplanten. De zeer zeldzame mannetjes die slechts af en toe worden gevonden, hebben allemaal onontwikkelde geslachtsorganen. In Noord Afrika en Sicilië komen deze wantsen ook voor en hier vind je wel voldoende gezonde mannetjes die zich dus ook kunnen voortplanten.
Vervellende lieveheersbeestjeslarve



Alle insecten moeten als zij groeien, vervellen. Hun oude huid barst open en ze wurmen zich week en kwetsbaar naar buiten. Deze lieveheersbeestjeslarve is aan zijn laatste vervelling bezig. Tegen de schemer had hij zich op de kop van een lavendelbloem vastgeklemd en barstte hij uit zijn vel. Beetje voor beetje wist hij zich te bevrijden. Eerst de kop en het borststuk, daarna beetje voor beetje zijn poten. Omdat insecten via tracheeën in hun huid ademen en deze adembuisjes ook aan de binnenkant zijn bekleed met chitine moet hij ook de huid van deze buisjes uit zijn lijf trekken. Je ziet ze als dunne witte draden nog aan zijn oude huid hangen. Toen zijn poten vrij waren, bewoog hij ze minuten lang heen en weer om ervoor te zorgen dat ze recht en strak opdrogen. Als laatste trok hij zijn achterlijf uit de oude huid, waarna hij op de kop van de bloem uitrustte en zijn nieuwe huid liet drogen en harden.
Bladluismummie van Discritulus planiceps

Deze tijd van het jaar vind je veel bladluismummies, de leeggegeten huidjes van door bladluiswespen geparasiteerde bladluizen, zoals die van Discritulus planiceps. Deze parasiet legt haar ei in een levende bladluis. De wespenlarve eet deze bladluis van binnenuit leeg waarna ze deze via de onderkant verlaat. Onder de lege bladluis spint ze een platte schijfvormige cocon waarin ze verpopt. Soms vind je ook bladluismummies waarbij de wesp een piramide-achtige tent onder de bladluis heeft gesponnen. Deze mummies zijn van praon-wespen. Een vergelijkbare parasitaire wespensoort, waarvan je net als Discritulus sneller de bladluismummies zult vinden dan het minuscule wespje zelf.
Junikever (Amphimallon solstitiale)

De meikever, junikever en julikever zijn drie Nederlandse bladsprietkevers die hun naam danken aan de maand waarin ze voorkomen. De meikever is daarvan het bekendst en talrijkst, de junikever, die enigszins op de meikever lijkt, is het kleinst (14 tot 18 mm) en de grote julikever is verreweg het zeldzaamst. Zoals gewoonlijk bij deze keverfamilies bezitten de mannetjes grotere antennes dan de wijfjes. De antenne van de junikever heeft de minste flappen (slechts drie), terwijl de meikever er vijf tot zes heeft. De meikever heeft een zwart en de junikever een bruin protonum. Daarnaast is de junikever behaarder en mist hij de bij de meikever zo karakteristieke achterlijfspunt.
Junikevers zijn schemerdieren die zich pas bij zonsondergang laten zien en van losse grond houden. In Fauna Germanica, het standaard keverboek uit 1909, omschrijft men hem als: ‘sehr häufig. Im Juni und Juli auf Brachfeldern gegen sonnenuntergang schwärmend’. Hoewel ze lokaal nog steeds in grote getalen kunnen voorkomen, is hij in de meeste gebieden schaarser geworden. De volwassen kever eet bladeren en houdt zich overdag tussen bomen en struiken schuil. Na zonsondergang beginnen ze te vliegen en zie je ze soms een uur lang om boomtoppen zwermen. Hier zoeken de partners elkaar op, waarna ze op de grond tussen het gras paren. Het bevruchte wijfje graaft zich daarna in en legt tussen de wortels van het gras 30 a 40 eitjes. Deze komen na een maand uit en ontwikkelen zich tot 5 cm grote larven. Deze larven heten net als bij de meikever engerlingen en eten de wortels van het gras, waardoor er soms grote kale plekken kunnen ontstaan. De engerlingen overwinteren twee maal op een diepte van 40 cm, tot ze zich in de grond verpoppen. Na een maand kruipt de volwassen kever uit de pop en houdt zich onder de grond schuil tot het begin van de zomer. Als de temperatuur voldoende oploopt, kruipen ze massaal, meestal in juni, uit de grond. De volwassen kevers leven slechts enkele dagen tot weken.
Lees ook: Penseelkever en Het vliegend hert.
Grote posthoornslak (Planorbarius corneus)
De posthoornslak is een zoetwaterslak die leeft van rottend plantenmateriaal dat op de bodems van stilstaande of langzaam stromende wateren ligt. Door alg aanslag zijn ze soms niet te onderscheiden van de planten waar ze op leven. Ze hebben longen maar zijn ook in staat om zuurstof uit water op te nemen en kunnen dus zowel onder als boven water leven. Hun bloed bevat een hemoglobine achtige stof en is net als het onze rood van kleur. Ze zijn algemeen en komen in vrijwel heel Europa voor. Dit blauwe exemplaar is met zijn 4,3 cm buitengewoon groot. Meestal worden dergelijke slakken niet groter dan 3 cm. Het afgebeelde exemplaar komt uit Zuidoost Duitsland.
Vroege herinnering
Of dit mijn vroegste herinnering is, weet ik niet zeker, wel dat het een hele oude is. Over het algemeen volgt mijn geheugen zijn eigen logica en werkt het niet chronologisch. Ik weet echter dat hij oud is omdat het plaatsvond in het huis waar ik ben geboren. Eigenlijk is het ook niet echt één herinnering, maar eerder een herhaling van steeds dezelfde gebeurtenis. De herinneringen betreffen het glasgordijn in de slaapkamer van mijn ouders. Daar hingen witte vitrages van het plafond tot op de vloer. Hun slaapkamer kwam uit op het balkon, we woonden op vier hoog op een flat aan de rand van de stad. ’s Zomers viel het licht altijd door de balkondeur naar binnen. Je kon door de vitrages dan niet naar buiten kijken, het witte vlak dat het zonlicht op het dunne gaas projecteerde, bleekte al het andere uit. Als het warm was stond de balkondeur altijd open, de wind liet de vitrages dan zachtjes bewegen. Telkens als er elders in het huis een deur werd geopend vlogen de vitrages omhoog. Door de trek werden ze als door een enorme adem teug de kamer ingezogen. Het licht overstroomde dan de ruimte. Als de deur werd gesloten, gleden de gordijnen met een hoorbare zucht terug en namen ze het licht weer mee.
Anostoma depressum

Deze landslak voed zich met algen en mos. Ze bewegen zich daarbij ondersteboven, als stofzuigers over de grond. De schelp heeft vier vrijwel platte wendingen, waarbij de laatste in een hoek tegenover de as staat en zich tot aan de top van de schelp omhoog krult. Hierdoor komt de mond van de slak dus feitelijk boven op de schelp, waardoor het diertje zich moet omkeren om zich te kunnen bewegen en voeden. De omhoog gekeerde mondopening heeft een aantal duidelijke tanden, die de schelp een bijna komisch uiterlijk geven. De slak zijn wetenschappelijke naam is goed gekozen, ano betekent omhoog of achterstevoren en stoma betekent mond. Bij onvolwassen dieren heeft de mondopening zich nog niet omgekeerd, zij dragen hun schelpen dan ook op hun zij, met de kiel van de schelp omhoog. Dit exemplaar komt uit Serra Talhada in Brazilië.
Oververmoeidheid maakt creatief
Een recent onderzoek bewijst wat ik al jaren weet, ongeordende gedachten schieten alle kanten op, en dat geeft meer ruimte voor creativiteit. Vermoeidheid verzwakt onze mentale filters. Gedachten die we normaal direct als onzinnig of buitenissig zouden uitfilteren, sijpelen tijdens vermoeidheid naar de voorgrond. Tijdens mijn studie maakte ik in de late uren mijn beste werk. Overdag had ik een fulltime baan en ’s avonds moest ik vaak tot ver in de kleine uren doorwerken om mijn studie aan elkaar te breien. Met behulp van veel koffie, stevige muziek en een felle bureaulamp maakte ik mijn beste werk op de momenten dat mijn gedachten alle kanten op schoten. Op die manier kwam ik tot resultaten waarvan ik me ’s morgens vaak afvroeg waar ik ze vandaan had gehaald. Mijn creatieve proces was net als traplopen, zolang ik er niet teveel bij nadacht ging het goed. Gelukkig duurde deze situatie maar een paar jaar. Regelmatig liep ik als een slaapwandelaar op mijn werk, of viel ik tijdens de colleges in slaap. Toch ben ik nooit meer zo productief, of moe, geweest als tijdens deze jaren.
Luchtkastelen
In mijn dromen kom ik vaak terug in dezelfde gebouwen. Deze gebouwen bestaan (voor zover ik weet) niet, maar zijn buitengewoon vertrouwd en gedetailleerd. In sommigen van die gebouwen ontdek ik soms nieuwe kamers of gangen. Ze voelen echt aan, zijn gestoffeerd en hebben ramen en een uitzicht. Van sommige weet ik hoe de omgeving eruit ziet en bijna allemaal hebben ze dat rare bekende gevoel. Alsof ik er al veel tijd in heb doorgebracht en het gebouw mij kent. Er kunnen jaren voorbij gaan voor ik er weer kom, maar dan weet ik zeker dat ik er in een droom al eerder ben geweest.
Lees ook: Droomvliegen, Nachtmerrie, Tijdreizigers, Twijfels in het donker en Vallen in je slaap