Een gebakken steen of tegel is aan de buitenkant veel harder dan aan de binnenkant, net zoals bij een gebakken brood zorgt de directe blootstelling aan de grotere hitte aan de buitenkant van de steen voor een hardere en dichtere structuur, bij een brood noemt men dat korst, bij een steen baklaag. Omdat in deze baklaag de kleideeltjes versmelten (verglazen) heeft het niet alleen een dichtere structuur, maar neemt het ook minder water op. De binnenkant van een steen, het biscuit, is vaak zachter en minder goed beschermd tegen slijtage en weersinvloeden.
Door het aanbrengen van een glazuurlaag, kun je de hardheid en krasbestendigheid van een steen of tegel nog verder vergroten. Door een vloeibare glaslaag, de glazuur, aan te brengen op een gebakken tegel en deze nogmaals op hoge temperatuur te bakken, creëer je een waterbestendige en krasvrije beschermlaag. Een bijkomend voordeel is dat je in deze glazuur kleuren en patronen kunt aanbrengen. De eerste geglazuurde stenen stammen uit de tijd van de oude Egyptenaren en Mesopotamiërs (ca 3000-4000 v.Chr.). De glazuur op deze eerste tegels en ook op veel latere is meestal blauw. Dit heeft meer met technische beperkingen dan met esthetische redenen te maken. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat Kobalt (blauw) één van de weinige pigmenten is waarvan de kleur bij extreem hoge temperaturen stabiel blijft (boven de 1000°C) en dat er maar weinig van nodig is om een verzadigde kleur te geven. Rood en gele glazuur vereisen veel nauwkeurigere en stabielere temperaturen tijdens het stoken, bij kleine afwijkingen wordt de rode glazuur bruin of oranje, terwijl geel al snel flets oogt.
Toch slijten uiteindelijk zelfs de hardste glazuurlagen, zoals bij deze eeuwenoude tegels die in Chateu Chenonceau op de houten vloeren liggen. Ze waren ooit bedekt met een luxe blauwe glazuur met rode en gele accenten, maar een ontelbaar aantal zolen heeft de tekening tot op het biscuit afgeslepen. Vlak bij de muren, waar minder werd gelopen, kun je nog iets van de oorspronkelijke praal terugzien, maar in het midden van de ruimte is de glazuur volledig verdwenen. Daar kun je nu wel goed zien dat de randen van de tegels harder zijn dan de binnenkant. De baklagen aan de zijkant van de tegels steken daar als nu kleine richels boven het zachtere biscuit uit en zorgen voor een fraai reliëf.
De beheerders van het kasteel hebben blijkbaar al lang geleden vrede gemaakt met deze slijtage. De vloeren zijn niet beschermd en de miljoen bezoekers die daar per jaar overheen schuren, mogen dat op eigen schoeisel doen. Aangezien onze huidige zolen heel wat harder en slijtbestendiger zijn dan de stoffen en leren zolen uit de 16e eeuw, zal het waarschijnlijk niet lang meer duren tot deze tegels tot op het hout zijn versleten.
Lees ook: De kamer van Catharina de’ Medici in Chateau Chenonceau, Links of rechts, op of neer, Een kwestie van tijd, Anoniem en tijd.
Geen reacties
Reageer: