De natuur prefereert eenvoud boven complexiteit en is zuinig in al haar handelingen. Een lichtstraal neemt de kortste weg, objecten vallen richting het middelpunt van de aarde, de natuur kiest altijd de makkelijkste weg. Dit wordt in de wetenschap omschreven als het principe van de kleinste werking. Dingen gebeuren altijd op een manier die de minste energie kost, de elegantie van eenvoud. Ook het leven zelf zoekt vaak de makkelijkste weg. Leven prefereert habitats waar het meeste voedsel het makkelijkst voor handen is en zoekt naar manieren om zichzelf zo goed mogelijk voort te planten, kortom leven zoekt naar een manieren om als soort ten koste van zo min mogelijk verspilde energie zo comfortabel mogelijk te kunnen overleven.

 

In eerste instantie lijkt deze spaarzaamheid lijnrecht tegenover de complexiteit en diversiteit van de evolutie te staan. Evolutie staat tenslotte voor het continu aanpassen van soorten aan hun omgeving en zorgt daarmee voor het ontstaan van nieuwe soorten, een energievretende bezigheid zou je denken. En veel soorten maken het hun partners daarbij ook nog eens extra moeilijk om te paren, ze zijn er dan weliswaar van verzekerd dat hun partner het sterkst mogelijke nageslacht voortbrengt, maar ook die aanpassingen kosten veel energie. Toch wordt ook deze evolutionaire strijd aangedreven door het principe van de kleinste werking. Alle aanpassingen en adaptaties van een soort komen voort uit de drang om als soort zo goed mogelijk en dus zo energie-efficiënt mogelijk te kunnen overleven. Dus zelfs als dit betekent dat het een individu meer energie kost om een partner te vinden, zorgt dit er uiteindelijk toch voor dat de soort een betere overlevingskans heeft. Wat er weer voor zorgt dat deze soort makkelijker en dus ook energiezuiniger kan overleven.

 

Evolutie stimuleert soorten daarbij om naar kortere weggetjes te zoeken, naar olifantenpaadjes met een energie-efficiëntere manier om te overleven of zichzelf voort te planten. Diefstal is zo’n olifantenpaadje. Waarom zou je tenslotte zelf op zoek gaan naar voedsel, als je dat met veel minder moeite ook van een ander kan stelen. Diefstal komt bij nagenoeg alle soorten voor, of het nou om nestmateriaal, een net gevangen prooi of werksters van een andere mierenkolonie gaat, in alle gevallen kost dat minder energie dan zelf nestmateriaal vergaren, op een prooi te jagen of werksters voort te brengen. Sommige soorten gaan echter nog een stapje verder, zij leven uitsluitend van de arbeid van een ander. Deze soorten parasiteren op een andere soort. Parasieten stelen hun voedingsstoffen en energie en zijn daarbij volledig afhankelijk van, en vaak ook schadelijk voor, hun gastheer. Ze hebben zich echter op deze unieke manier ontwikkeld juist vanwege het principe van de minste werking. Dit principe dwingt de evolutie tussen parasiet en gastheer tot een ware wapenwedloop, waarbij beide organismen zich steeds zo aan elkaar aanpassen dat zij als overwinnaar uit de strijd komen. Het lijkt er vaak op dat een parasiet het aanzienlijk makkelijker heeft dan zijn gastheer, hij voedt zich tenslotte met het leven en de energie die een gastheer voor zichzelf had geïnvesteerd. Maar waar een parasiet uiteindelijk vaak nog de meeste last van blijkt te hebben, is een  andere parasiet. Een soort die zich volledig heeft toegespitst op het parasiteren van een parasiet. En zelfs deze hyperparasieten zijn uiteindelijk niet veilig, want ook zij hebben soms weer last van parasieten.

 

Op deze manier zorgt het principe van de kleinste werking, de zoektocht naar eenvoud, uiteindelijk dus juist voor een steeds grotere diversiteit en complexiteit.

 

Lees ook: Ockhams scheermes, Grote rupsendoders en kleptoparasitisme (Ammophila sabulosa).