Al vanaf het allereerste blad van een kiemplant kun je zien of het een eenzaadlobbige (monocotylen) of tweezaadlobbige (dicotylen) plant betreft. Een eenzaadlobbige heeft slechts een enkel kiemblad, een tweezaadlobbige heeft er twee. Deze eerste zaadlobben of kiembladen zijn de allereerste blaadjes van een plant, die feitelijk al in het zaad aanwezig waren. Ze bevatten allerlei reservestoffen, zoals eiwit, zetmeel en vet, dat een jong plantje helpt om te groeien. Deze zaadlobben wijken qua vorm vaak sterk af van die van de latere bladen van een plant en vallen meestal af zodra de plant wat groter wordt en via fotosynthese zelfstandig voor zijn voedsel kan zorgen.
Het verschil tussen een- of tweezaadlobbig planten beperkt zich niet alleen tot het aantal zaadlobben, het heeft ook gevolgen voor de verdere ontwikkeling van een plant. Een eenzaadlobbige plant heeft een vezelig wortelstelsel, parallelle nerven in het blad, geen groei in diameter vanwege de afwezigheid van een cambrium en bloemdelen die vaak uit veelvouden van drie bestaan. Terwijl een tweezaadlobbige plant een hoofdwortel met zijwortels heeft, vertakte nerven in het blad, een cambrium waardoor groei in diameter en verhouting mogelijk is en bloemdelen in een veelvoud van vier of vijf.
Beuken zijn duidelijk dicotyl, Zodra het beukennootje ontkiemt, schiet er een dunne stengel omhoog waaraan twee tere kiembladen zich als zonnepaneeltjes ontvouwen. Deze kiembladen bevatten niet alleen het nodige reservevoedsel dat een jonge beuk nodig heeft om te groeien maar kunnen ook middels fotosynthese bijspringen. Onder invloed van licht kunnen ze van water en koolstofdioxide, zuurstof en glucose maken. Het wonder van een plant begint dus bij een beuk nog voordat hij zijn eerste echte bladeren heeft.
Lees ook: De porseleinzwam en antischimmelstoffen (Oudemansiella mucida), Kleine vliegende herten in De Brand (Dorcus parallelipipedus) en Een beuk in het water.
Geen reacties
Reageer: