In mijn tuin begint de bloesem nu aardig uitgebloeid te raken. Als de kroonblaadjes zijn gevallen blijft het vruchtbeginsel over. Samen met de kelkbladeren vormen de stempel en de meeldraden dan nog heel even een klein bouwsel. Binnen een paar dagen vallen de meeldraden ook af en zal het vruchtbeginsel uitgroeien tot een vruchtje.
Weblog
Vruchtbeginsel
Blozen
Het lijkt wel alsof we steeds minder blozen. Het is alweer even geleden dat ik iemand met zo’n warme, oprechte blos op de wangen heb gezien. Het werkt altijd weer vertederend. Iemand die bloost kan zich (nog) schamen en dat is behoorlijk verfrissend in deze samenleving.
Darwin besteedde in zijn “The expression of the Emotions in Man and Animals” een heel hoofdstuk aan blozen. Hij noemde blozen “de meest menselijke van alle expressies”. We worden rood in het gezicht als we ons schamen, boos zijn of vernederd worden maar ook als we worden geprezen, worden bedankt of verliefd zijn. Zijn tijdgenoten, zoals Burgess, dachten dat men bloosde vanuit een moreel besef. Darwin stelde echter dat men bloost omdat men zichzelf ziet door de ogen van een ander. Dit veronderstelt cognitieve vermogens die baby’s en dieren niet bezitten en daarom kunnen zij ook niet blozen.
Vanuit evolutionair oogpunt bezien lijkt het vreemd dat we blozen. Als we ons bewust zijn van hoe een ander ons ziet en ons daardoor ongemakkelijk voelen is het dan wel logisch dat we, door te blozen daar zo duidelijk de aandacht op vestigen? Het mooie van blozen is dat het vrijwel de enige uiting van emotie is die we niet kunnen controleren of spelen. Het is een visueel teken van oprechtheid. Het toont ons ongemak en werkt daardoor als een teken van verzoening, een visueel excuus. Dit is sociaal gezien zeer nuttig, het zorgt voor een beter begrip binnen een groep en werkt agressieverlagend. Onderzoek heeft aangetoond dat we iemand minder negatief beoordelen als een fout vergezeld gaat met blozen.
Dunglish
Veel Nederlanders vinden dat zij goed Engels spreken, terwijl ze eigenlijk Dunglish praten, een soort van steenkolenengels waarbij ze een mengelmoes van de Nederlandse en Engelse taal maken. Helaas zijn ook veel politici ervan overtuigd dat zij geen tolk nodig hebben en maken ze zichzelf en ons met hun Dunglish behoorlijk belachelijk.
Om maar een paar voorbeelden te noemen; De Nederlandse premier Pieter Sjoerd Gerbrandy verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen en kreeg het Engels maar nauwelijks uit zijn mond. Zo begroette hij Churchill met een “Goodbye Mister Churchill”, welke hier gevat op reageerde met “This is the shortest interview I ever had”. De opmerking van Churchill “Spring is in the air” beantwoordde hij met een “Why should I?”. En op de vraag wat hij het mooiste in London vond zei hij “The ladies toilets”, terwijl hij hun kleding bedoelde.
Voormalige premier Dries van Agt heeft ooit gezegd: “I can stand my little man”. Terwijl Joop den Uyl het Nederlandse volk samenvatte met een; “We are a nation of undertakers”. Joseph Luns wist John F. Kennedy te verrassen met het; “I fok horses”. Kennedy antwoordde hierop met een schamper “pardon” waarop Luns weer zei “yes paarden!”. Neelie Kroes had het over; “Don’t throw the baby in the water” en “Who says A, must say the rest of the alphabet”.
Frits Bolkestein maakte het echter te bont toen hij het tijdens een bespreking over het uitgavenpatroon van Europese beleidsmakers continu had over “golden showers”.
Toch zijn het niet alleen politici die dit soort fouten maken, een Nederlandse eigenaresse van een hondenfokkerij stelde zichzelf onlangs op de Engelse televisie voor met het enigmatische; “I fok dogs”. Maar ook rare uitspraken als “I always get my sin”, “Please thank your kok for the wonderful dinner”, “Take your pet off” en “How do you do, and how do you do your wife?” komen regelmatig voor. Het meisje dat in het Nederlands altijd het woordje “hoor” aan het einde van een zin zei had het in Engeland ook niet gemakkelijk.
Als iemand nog meer rare voorbeelden van Dunglish heeft hoor ik ze graag.
Schaamte, schuld en schande
Enige tijd terug had iemand, waar ik min of meer verantwoordelijk voor was, iets gedaan waar ik me slecht over voelde. Ik ging het onderwerp uit de weg, maakte mijn excuses voor het voorval en soms als ik ermee geconfronteerd werd bloosde ik. En dat om iets dat ik eigenlijk niet eens zelf had gedaan. Maar wat ik me nu afvraag is of ik me schaamde, te schande gemaakt of schuldig voelde.
Schaamte, schuld en schande zijn drie psychosociale emoties die vaak in elkaar overlopen. Het is niet gemakkelijk om een duidelijk onderscheid tussen deze gevoelens te maken. Schaamte, schuld en schande gaan alle drie over schade.
Bij schaamte zit de schade in mij, hij is persoonlijk, intiem. Het is deze schade die er voor zorgt dat ik me minderwaardig voel en tevens is er angst dat iemand deze schade kan zien. Het kan te maken hebben met iets dat ik juist wel of niet kan of ben. Schaamte gaat over hoe ik ben en ik ben bang dat schaamte tot schande kan leiden. Schaamte is schade in relatie tot mezelf.
Bij schuld is het de schade die ik heb aangericht. Het gevoel van verantwoordelijkheid voor een wel of niet gedane daad. Het is de handeling die deze schade veroorzaakt die tot deze gevoelens leidt. Deze gevoelens wil ik graag wegnemen door de schade te repareren of door mezelf te straffen. Ik kan me schuldig voelen over iets dat anderen onschuldig vinden. Schuld gaat over de schade die mijn daad heeft aangericht.
Bij schande is het de zichtbare schade die ik heb opgelopen in de waardering van anderen. De gevoelens komen door een verlies van eer en waardigheid en het feit dat anderen van dit verlies weten. Bij schande gaat het over mijn schade in relatie tot mijn omgeving.
Gevoelens van schaamte, schuld en schande kunnen in elkaar overlopen, zo leidt schuld al snel tot schaamte en schaamte soms tot schande. Maar of ik me nu schaamde, te schande gemaakt of schuldig voelde kan ik niet goed zeggen. Waarschijnlijk voelde ik me schuldig over het gedrag van deze persoon omdat ik hem beter had moeten opleiden. Voelde ik me te schande gezet door de schade die zijn gedrag aan mijn prestige toebracht en schaamde ik me voor het feit dat ik daar niet boven kon staan.
Gesloopte kikkers
Tijdens een wandeling langs de Moer kwam ik een flink aantal dode kikkers tegen. Ze lagen bij het water vlak bij een grote meeuwenkolonie. De kikkers waren uit elkaar getrokken en het kikkerdril was er uit gehaald. Kikkerdril zit in de kikker in een speciaal zakje. Pas als de eieren zijn gelegd zwelt het omhulsel in het water op tot een beschermende geleilaag. Door de dauw waren sommige eitjes die in zo’n lijkje zaten toch opgezwollen en staken als oogjes tussen de ingewanden naar buiten. Niet al het dril of alle kikkers waren opgegeten, het lijkt erop dat meeuwen ook voor de sport kikkers vangen en slopen.
Grote Hoeve Merksplas
Tegen het einde van de Middeleeuwen richtte de overheid overal tuchthuizen op. Hiermee wilde ze armoede en criminaliteit tegen gaan. In werkelijk was het ook een manier om aan goedkope arbeidskrachten te komen. De kolonie in Merksplas was zo’n tuchthuis. Rond 1775 werd het opgericht als een bedelaarshuis voor “1000 gezonde voor landarbeid geschikte bedelaars”.
In 1866 werd “de wet op landloperij” van kracht. Als je geen identiteitspapieren en genoeg geld om tenminste één brood te kopen op zak had werd je als landloper opgepakt en in een tuchthuis te werk gesteld. Tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog werkten er hier nog zo’n 500 landlopers of vagebonden. Toen de welstand in het land langzaam toenam waren er echter steeds minder landlopers. Pas In 1993 werd “de wet op landloperij” afgeschaft, de regering besloot uiteindelijk toch maar dat armoede geen misdrijf was. De resterende landlopers mochten uit Merksplas vertrekken en de kolonie werd ingericht als gevangenis. Daarnaast werden de oude slaapzalen van de landlopers omgebouwd tot een centrum voor uitgeprocedeerde illegalen. Het lijkt erop dat door de jaren de bestemming van de kolonie niet echt veel is veranderd. In de strafinrichting Merksplas, welke één van de grootste in België is, verblijven momenteel ca 700 gedetineerden.
Op het terrein van de kolonie staan niet alleen de strafinrichting, de oude bewakershuizen (Zoete Inval) en een kapel maar ook de Grote Hoeve. Deze werd in 1880 in kloosterarchitectuur naar een ontwerp van Victor Besme gebouwd. De gebouwen van de Grote Hoeve staan langs een groot rechthoekig binnenplein. Men fokte er melkvee, schapen, varkens en koeien en al het werk werd gedaan door landlopers. Er waren weiden om te grazen, grasland om te hooien en akkers voor aardappelen, koren en haver. In totaal had de Grote Hoeve ca 210 ha. in bewin. Sinds het afschaffen van “de wet op landloperij” staan de gebouwen leeg. Sinds 1999 is de Grote Hoeve een beschermd gebouw.
Op het terrein staat op een verweerd bordje te lezen dat, “de gebouwen zeer bouwvallig zijn en een gevaar inhouden wegens instortingsgevaar”. De gebouwen zijn dan ook verboden gebied en “inbreuken op het reglement zullen worden gesanctioneerd met politiestraffen”. Het lijkt er echter niet op dat dit bordje veel uithaalt. Beschermd gebouw of niet, veel kamers zijn volledig gevandaliseerd en het ziet er niet naar uit dat de gemeente de Grote Hoeve op korte termijn zal restaureren.
klik hier voor meer foto's van de Grote Hoeve Merksplas
Routine
Elke ochtend als ik mijn fiets in de stalling plaats is mijn plekje vrij. Behalve als ik een keertje later begin. Dan is mijn routine verstoord en ben ik gelijk mijn plekje kwijt. Iedereen stalt zijn fiets op steeds hetzelfde tijdstip en op steeds dezelfde plaats. Dat geeft niet alleen rust maar ook overzicht en zorgt ervoor dat het stallen en vinden van je fiets met een minimum aan stress gepaard gaat. Waarschijnlijk is dat ook de reden dat kinderen in de klas, werknemers bij een vergadering en reizigers op het perron steeds dezelfde plek opzoeken. Voor dieren is dit niet anders. Zowel jagers als prooidieren hanteren een scherpomlijnde routine. Jagers jagen waar ze eerder succes hebben gehad en prooien schuilen waar ze eerder veilig zijn geweest. Zo werken hersenen. Een gedachte of handeling wordt ingesleten als een groef in een plaat. Elke keer wordt die groef dieper, de zenuwverbindingen sterker en telkens wordt het moeilijker om uit die groef te stappen. Eenmaal iets aangeleerd is het hondsmoeilijk om dat weer af te leren. Het is niet zo makkelijk om een plaat te laten overslaan. Iemand die dat regelmatig doet, iemand die zijn routine regelmatig verstoord noemen we al snel gestoord.
En terecht. Omdat een of andere idioot zijn fiets op mijn plekje heeft gezet heb ik hem ergens anders moeten stallen. En degene wiens plekje ik heb bezet moet dat natuurlijk ook weer, enzovoort, enzovoort. Zo zie je maar hoe het doorbreken van slechts één routine de hele maatschappij kan ontwrichten, zul je zien dat ik straks mijn fiets niet terug kan vinden.
Nee
Het is raar maar dit kleine woordje blijk je niet meer te kunnen gebruiken zonder een nederige toelichting of uitleg. Op de vele vragen die men je per dag stelt mag je altijd ja zeggen en geen haan die er naar kraait. Zeg je echter op een beleefde manier nee, dan moet je dat altijd minimaal drie maal doen. Goed, ik begrijp dat men het fijn vindt om iemand aardig te vinden en om aardig gevonden te worden moet je vaak ja zeggen. Maar nee is ook een antwoord.
Als je een keer beleefd nee zegt snap ik best dat de vraagsteller even moet omschakelen, hij verwacht ja, krijgt dat niet te horen en moet zijn wereldbeeld even aanpassen. De meeste mensen hebben daar wel wat tijd voor nodig en dus herhalen ze dezelfde vraag op een andere manier want je zult ze wel niet goed begrepen hebben. Als je dan nogmaals nee zegt, nog beleefder en vaak zelfs met een toelichting, gaan ze fronsen. Wat hebben ze nu weer voor een rare snoeshaan voor zich, zei hij nou echt nee? Dus wordt de vraag nogmaals uitgesproken op een langzame en goed gearticuleerde manier, vaak kijken ze er nu ook een beetje boos bij en om hun “verzoek” kracht bij te zetten is dit ook vaak het moment waarop ze hun hoofd naar je toebuigen en hun handen gebruiken. Alsof ze met een slechthorende te doen hebben proberen ze hun vraag als het ware in de lucht uit te beelden. Vanzelfsprekend spiegel je je beleefd aan deze contactgestoorde en praat je op een even langzame en duidelijke manier. Door ook je hoofd naar voren te buigen en je handen te bewegen hoop je de vrager duidelijk te maken dat hij je de eerste keer al goed had verstaan. Dit is dan ook vaak het moment dat de wereld bij de vrager onder zijn voeten uit valt, enigszins gefrustreerd doet hij een stap terug en kijkt je nog eens goed aan. Langzaam begint bij hem het besef te dagen dat je echt niet van plan bent om ja te gaan zeggen. Gelukkig voor hem slaat dan zijn zelfverdedigingmechaniek toe en verzekert hij zichzelf ervan dat niet zijn vraag maar jouw antwoord onbeleefd was. Sterker nog niet alleen jouw antwoord maar je hele houding is onbeleefd, hoe kan hij anders verklaren dat je nee zei. Laten we eerlijk zijn, alleen een arrogant en zeer onbeleefd persoon zou negatief op zijn verzoek kunnen reageren. Het moment om het gesprek te beëindigen is dan ook eindelijk aangebroken. Gebelgd als hij is laat hij nog even weten dat hij je zeer onvriendelijk vindt en draait hij zich op zijn hakken om. Terwijl jij je afvraagt of je de volgende keer misschien beter kan doen alsof je zijn vraag niet had begrepen begin je aan jezelf te twijfelen. Was je nou echt onbeleefd of kon deze vraagsteller er gewoon niet tegen dat je nee zei?
Zomertijd
Vannacht om 02:00 uur gaat de klok een uurtje vooruit. Onze nacht is dan dus een uurtje korter. Op zich vind ik zomertijd prima, niks mis mee, maar waarom dat nou weer midden in de nacht moet gebeuren? Laten we dat toch gewoon overdag doen om een uur of 16.00. Wat dat betreft stel ik bij deze voor dat de zomertijd vanaf nu op de eerste maandag van de lente om 16.00 ingaat. Dan zetten we de klok lekker op 17:00uur en kunnen we met zijn allen eens een keertje vroeg naar huis. Met een uurtje minder werken kan ik heel wat makkelijker leven dan met een uurtje minder slaap en voor de maatschappij en het milieu is het ook wel eens goed als we met zijn allen een uurtje minder consumeren.
lees ook wintertijd
i-pad 2
Vandaag om 17.01 wordt de nieuwe i-pad 2 uitgebracht. In de winkels staan nu de telefoons roodgloeiend, iedereen probeert zo’n apparaatje te reserveren. Helaas doet Apple niet aan reserveren en hanteren zij het volstrekt egalistische “first in first out”. Er zit voor hun fans dan ook niets anders op dan op tijd in de lange rijen aan te sluiten. En de fanaten zijn bereid om te wachten. De allereerste stonden om 07.00uur al voor de winkels. Zoals zo vaak bij Apple producten kenmerken deze wachtenden zich ook nu door een bijna religieuze bekoring. Met een gespannen glimlach op de lippen weten zij die vroeg zijn gekomen zich vrijwel zeker van hun i-pad.
Bij binnenkomst in de winkels is ook direct duidelijk waar zij voor komen, geen andere klant is zo gretig, zo bereid tot wachten en zo compulsief in zijn aanschaf. Verenigd door een soort van sociale lepra zijn zij als enigen bereid om alles te laten liggen teneinde hun langverwachte gadget te kunnen aanschaffen. Zoals religieuze fanaten zich soms door hun oplichtende aureool laten herkennen is het bij deze apostelen voelbaar aan een zacht oplichtende i op hun voorhoofd. De i van idioot.




