klik hier voor meer foto's van objet 1859/7/#18
Indubitably was één van de eerste Engelse woorden waar ik mijn tong maar moeilijk omheen kon krijgen. Ik kwam het tegen bij Conan Doyle’s zijn Sherlock Holmes verhalen en ben het daarna zelf ook gaan gebruiken. Telkens als ik zo’n mooi woord tegen kom probeer ik het me eigen te maken en het aan mijn vocabulaire toe te voegen. Sommige van deze bijna onbegrijpelijk lange woorden hebben een heel eigen ritme en schoonheid.
Maar als het gaat om wat nu het langste en moeilijkste Engelse woord is, twijfel ik tussen floccinaucinihilipilification en honorificabilitudinitatibus. De eerste wordt vaak gezien als het langste woord in de Engelse taal en betekent de handeling of gewoonte om iets als onbelangrijk af te doen. De tweede komt uit Shakespeare’s komedie Love’s labour’s Lost en zou je kunnen vertalen als “ontvankelijke eerbaarheid”. In deze komedie converseren twee pedante schoolmeesters in een mengelmoes van Latijn en pretentieus Engels. Hierin zegt de komische Costard het volgende over het gesprek: "O, they have lived long on the alms-basket of words. I marvel thy master hath not eaten thee for a word; for thou art not long by the head as honorificabilitudinitatibus: thou art easier swallowed than a flap-dragon."
Maar misschien is het mooiste lange woord wel hippopotomonstrosesquippedaliofobie, de angst voor lange woorden.
Vandaag is het precies 50 jaar geleden dat één van mijn grote helden, Joeri Gagarin, als allereerste mens de ruimte in ging. In mijn kinderkamer had ik een poster van zijn Vostok1 aan mijn muur hangen.
Gagarin was van eenvoudige afkomst en wist zich, voor mij en voor de hele wereld, op te werken tot het toonbeeld van een held. Gagarin werd op 9 maart 1934 geboren in het gezin van een kolchosboer in het district Gzjatsk. Zijn oorspronkelijke beroep was handvormer en metaalgieter. Later ging hij naar het Industrieel Technikum in Saratov, waar hij in 1955 eindexamen deed. Zijn eerste stappen op het gebied van de luchtvaart maakte Gagarin tijdens een cursus van de luchtvaartclub in Saratov. Na afloop van deze cursus ging hij over naar de luchtvaartschool in Orenburg en in 1957 trad Gagarin als piloot in dienst van de Russische luchtmacht. In 1960 werd hij lid van de Communistische Partij en in 1961 ondernam hij de ruimtevlucht die hem legendarisch maakte. In de Vostok 1 reisde hij in 89minuten en 6 seconden om de wereld. Na terugkeer op aarde werd hem in het Kremlin de Lenin-orde toegekend en werd hij benoemd tot ‘Held van de Sovjet-Unie’. Gagarin is dan Sovjetheld no. 11.175. Hij reisde daarna de hele wereld rond als boegbeeld van de Sovjet-Unie. In Moskou staat er voor hem zelfs een 40-meter hoog titanium monument. Als men hem vroeg hoe het was om beroemd te zijn zij hij altijd; “ik ben maar een gewone sterveling”, in de Sovjet-Unie werd hij echter vereerd als een halfgod.
En zo zag Gagarin er ook uit. Hij leek zelfs op een andere ruimteheld van me namelijk James T. Kirk. Tijdens het verslag van zijn tocht werd hij door de commentator van de Russische televisie als volgt omschreven: “voor hen die deze foto niet zien, willen we graag een beschrijving geven van de prachtkerel. Op het scherm verschijnt het beeld van een man van ruim 25 jaar met een vriendelijk Russisch gezicht, ogen iets uit elkaar, mooie borstelige wenkbrauwen en hoog voorhoofd. Hij draagt een vliegershelm en een lichte overall. Hij glimlacht. Moeten we hieraan nog toevoegen dat deze man, de eerste die door de ruimte durfde te vliegen, naar de sterren te reiken en neer te zien op aarde, een man is met een zeer groot en zeer waarachtig karakter, dat blijkt uit zijn glimlach en uit zijn intelligente, mooie ogen?”.
Later leerde ik dat het oorspronkelijk niet Joeri Gagarin maar German Titov was die voor deze missie was uitgekozen. De Russische autoriteiten vonden German echter niet Russisch genoeg klinken en kozen daarom voor Joeri. Ook was Titov afkomstig uit een middenklasse-milieu van onderwijzers, en dus veel minder geschikt dan Gagarin, die van eenvoudiger komaf was, om de proletarische idealen van de Sovjet-Unie te vertegenwoordigen. Titov mocht in de Vostok 2 wel als tweede rus de ruimte in. Als Titov geen German maar Joeri had geheten zouden we nu misschien wel een 40-meter hoog titanium Titov momument, Titov-stad, een Titov kosmonauten trainingscentrum, een Titov-Sojoez capsule, een Titov museum en zelfs een Titov-krater op de maan hebben. En dan zou dit stukje Joeri Titov hebben geheten.
Lees ook keuzes en talenten
In mijn tuin begint de bloesem nu aardig uitgebloeid te raken. Als de kroonblaadjes zijn gevallen blijft het vruchtbeginsel over. Samen met de kelkbladeren vormen de stempel en de meeldraden dan nog heel even een klein bouwsel. Binnen een paar dagen vallen de meeldraden ook af en zal het vruchtbeginsel uitgroeien tot een vruchtje.
Het lijkt wel alsof we steeds minder blozen. Het is alweer even geleden dat ik iemand met zo’n warme, oprechte blos op de wangen heb gezien. Het werkt altijd weer vertederend. Iemand die bloost kan zich (nog) schamen en dat is behoorlijk verfrissend in deze samenleving.
Darwin besteedde in zijn “The expression of the Emotions in Man and Animals” een heel hoofdstuk aan blozen. Hij noemde blozen “de meest menselijke van alle expressies”. We worden rood in het gezicht als we ons schamen, boos zijn of vernederd worden maar ook als we worden geprezen, worden bedankt of verliefd zijn. Zijn tijdgenoten, zoals Burgess, dachten dat men bloosde vanuit een moreel besef. Darwin stelde echter dat men bloost omdat men zichzelf ziet door de ogen van een ander. Dit veronderstelt cognitieve vermogens die baby’s en dieren niet bezitten en daarom kunnen zij ook niet blozen.
Vanuit evolutionair oogpunt bezien lijkt het vreemd dat we blozen. Als we ons bewust zijn van hoe een ander ons ziet en ons daardoor ongemakkelijk voelen is het dan wel logisch dat we, door te blozen daar zo duidelijk de aandacht op vestigen? Het mooie van blozen is dat het vrijwel de enige uiting van emotie is die we niet kunnen controleren of spelen. Het is een visueel teken van oprechtheid. Het toont ons ongemak en werkt daardoor als een teken van verzoening, een visueel excuus. Dit is sociaal gezien zeer nuttig, het zorgt voor een beter begrip binnen een groep en werkt agressieverlagend. Onderzoek heeft aangetoond dat we iemand minder negatief beoordelen als een fout vergezeld gaat met blozen.
Veel Nederlanders vinden dat zij goed Engels spreken, terwijl ze eigenlijk Dunglish praten, een soort van steenkolenengels waarbij ze een mengelmoes van de Nederlandse en Engelse taal maken. Helaas zijn ook veel politici ervan overtuigd dat zij geen tolk nodig hebben en maken ze zichzelf en ons met hun Dunglish behoorlijk belachelijk.
Om maar een paar voorbeelden te noemen; De Nederlandse premier Pieter Sjoerd Gerbrandy verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen en kreeg het Engels maar nauwelijks uit zijn mond. Zo begroette hij Churchill met een “Goodbye Mister Churchill”, welke hier gevat op reageerde met “This is the shortest interview I ever had”. De opmerking van Churchill “Spring is in the air” beantwoordde hij met een “Why should I?”. En op de vraag wat hij het mooiste in London vond zei hij “The ladies toilets”, terwijl hij hun kleding bedoelde.
Voormalige premier Dries van Agt heeft ooit gezegd: “I can stand my little man”. Terwijl Joop den Uyl het Nederlandse volk samenvatte met een; “We are a nation of undertakers”. Joseph Luns wist John F. Kennedy te verrassen met het; “I fok horses”. Kennedy antwoordde hierop met een schamper “pardon” waarop Luns weer zei “yes paarden!”. Neelie Kroes had het over; “Don’t throw the baby in the water” en “Who says A, must say the rest of the alphabet”.
Frits Bolkestein maakte het echter te bont toen hij het tijdens een bespreking over het uitgavenpatroon van Europese beleidsmakers continu had over “golden showers”.
Toch zijn het niet alleen politici die dit soort fouten maken, een Nederlandse eigenaresse van een hondenfokkerij stelde zichzelf onlangs op de Engelse televisie voor met het enigmatische; “I fok dogs”. Maar ook rare uitspraken als “I always get my sin”, “Please thank your kok for the wonderful dinner”, “Take your pet off” en “How do you do, and how do you do your wife?” komen regelmatig voor. Het meisje dat in het Nederlands altijd het woordje “hoor” aan het einde van een zin zei had het in Engeland ook niet gemakkelijk.
Als iemand nog meer rare voorbeelden van Dunglish heeft hoor ik ze graag.
Enige tijd terug had iemand, waar ik min of meer verantwoordelijk voor was, iets gedaan waar ik me slecht over voelde. Ik ging het onderwerp uit de weg, maakte mijn excuses voor het voorval en soms als ik ermee geconfronteerd werd bloosde ik. En dat om iets dat ik eigenlijk niet eens zelf had gedaan. Maar wat ik me nu afvraag is of ik me schaamde, te schande gemaakt of schuldig voelde.
Schaamte, schuld en schande zijn drie psychosociale emoties die vaak in elkaar overlopen. Het is niet gemakkelijk om een duidelijk onderscheid tussen deze gevoelens te maken. Schaamte, schuld en schande gaan alle drie over schade.
Bij schaamte zit de schade in mij, hij is persoonlijk, intiem. Het is deze schade die er voor zorgt dat ik me minderwaardig voel en tevens is er angst dat iemand deze schade kan zien. Het kan te maken hebben met iets dat ik juist wel of niet kan of ben. Schaamte gaat over hoe ik ben en ik ben bang dat schaamte tot schande kan leiden. Schaamte is schade in relatie tot mezelf.
Bij schuld is het de schade die ik heb aangericht. Het gevoel van verantwoordelijkheid voor een wel of niet gedane daad. Het is de handeling die deze schade veroorzaakt die tot deze gevoelens leidt. Deze gevoelens wil ik graag wegnemen door de schade te repareren of door mezelf te straffen. Ik kan me schuldig voelen over iets dat anderen onschuldig vinden. Schuld gaat over de schade die mijn daad heeft aangericht.
Bij schande is het de zichtbare schade die ik heb opgelopen in de waardering van anderen. De gevoelens komen door een verlies van eer en waardigheid en het feit dat anderen van dit verlies weten. Bij schande gaat het over mijn schade in relatie tot mijn omgeving.
Gevoelens van schaamte, schuld en schande kunnen in elkaar overlopen, zo leidt schuld al snel tot schaamte en schaamte soms tot schande. Maar of ik me nu schaamde, te schande gemaakt of schuldig voelde kan ik niet goed zeggen. Waarschijnlijk voelde ik me schuldig over het gedrag van deze persoon omdat ik hem beter had moeten opleiden. Voelde ik me te schande gezet door de schade die zijn gedrag aan mijn prestige toebracht en schaamde ik me voor het feit dat ik daar niet boven kon staan.
Tijdens een wandeling langs de Moer kwam ik een flink aantal dode kikkers tegen. Ze lagen bij het water vlak bij een grote meeuwenkolonie. De kikkers waren uit elkaar getrokken en het kikkerdril was er uit gehaald. Kikkerdril zit in de kikker in een speciaal zakje. Pas als de eieren zijn gelegd zwelt het omhulsel in het water op tot een beschermende geleilaag. Door de dauw waren sommige eitjes die in zo’n lijkje zaten toch opgezwollen en staken als oogjes tussen de ingewanden naar buiten. Niet al het dril of alle kikkers waren opgegeten, het lijkt erop dat meeuwen ook voor de sport kikkers vangen en slopen.
Tegen het einde van de Middeleeuwen richtte de overheid overal tuchthuizen op. Hiermee wilde ze armoede en criminaliteit tegen gaan. In werkelijk was het ook een manier om aan goedkope arbeidskrachten te komen. De kolonie in Merksplas was zo’n tuchthuis. Rond 1775 werd het opgericht als een bedelaarshuis voor “1000 gezonde voor landarbeid geschikte bedelaars”.
In 1866 werd “de wet op landloperij” van kracht. Als je geen identiteitspapieren en genoeg geld om tenminste één brood te kopen op zak had werd je als landloper opgepakt en in een tuchthuis te werk gesteld. Tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog werkten er hier nog zo’n 500 landlopers of vagebonden. Toen de welstand in het land langzaam toenam waren er echter steeds minder landlopers. Pas In 1993 werd “de wet op landloperij” afgeschaft, de regering besloot uiteindelijk toch maar dat armoede geen misdrijf was. De resterende landlopers mochten uit Merksplas vertrekken en de kolonie werd ingericht als gevangenis. Daarnaast werden de oude slaapzalen van de landlopers omgebouwd tot een centrum voor uitgeprocedeerde illegalen. Het lijkt erop dat door de jaren de bestemming van de kolonie niet echt veel is veranderd. In de strafinrichting Merksplas, welke één van de grootste in België is, verblijven momenteel ca 700 gedetineerden.
Op het terrein van de kolonie staan niet alleen de strafinrichting, de oude bewakershuizen (Zoete Inval) en een kapel maar ook de Grote Hoeve. Deze werd in 1880 in kloosterarchitectuur naar een ontwerp van Victor Besme gebouwd. De gebouwen van de Grote Hoeve staan langs een groot rechthoekig binnenplein. Men fokte er melkvee, schapen, varkens en koeien en al het werk werd gedaan door landlopers. Er waren weiden om te grazen, grasland om te hooien en akkers voor aardappelen, koren en haver. In totaal had de Grote Hoeve ca 210 ha. in bewin. Sinds het afschaffen van “de wet op landloperij” staan de gebouwen leeg. Sinds 1999 is de Grote Hoeve een beschermd gebouw.
Op het terrein staat op een verweerd bordje te lezen dat, “de gebouwen zeer bouwvallig zijn en een gevaar inhouden wegens instortingsgevaar”. De gebouwen zijn dan ook verboden gebied en “inbreuken op het reglement zullen worden gesanctioneerd met politiestraffen”. Het lijkt er echter niet op dat dit bordje veel uithaalt. Beschermd gebouw of niet, veel kamers zijn volledig gevandaliseerd en het ziet er niet naar uit dat de gemeente de Grote Hoeve op korte termijn zal restaureren.
klik hier voor meer foto's van de Grote Hoeve Merksplas