Deze panoramische mozaïekfoto is samengesteld uit foto’s die de Mars Exploration Rover Spirit op 19 mei 2005 van een zonsondergang op Mars maakte. De foto werd om 18.06 genomen, de zon staat op het punt om achter de rand van de Gusev-krater te verdwijnen. Omdat er in de Martiaanse “atmosfeer” op veel grotere hoogtes stofdeeltjes voorkomen duurt de Martiaanse schemering langer dan op Aarde.
Strikt gesproken zou je kunnen stellen dat dit één van de duurste foto’s ter wereld is. Maar deze ene foto rechtvaardigt voor mij het gehele budget van Nasa’s ruimte programma.
Planet Terror is een overduidelijk “over the top” filmspoof uit 2007 met overdreven grafisch geweld, intentioneel slechte dialogen en een bedoeld absurde verhaallijn. Het geheel levert een uitermate vermakelijke film op die op IMDB terecht 7,5 ster krijgt. De schrijver en regisseur van deze film, Robert Rodriguez, wist extreem gewelddadige scènes op een effectieve en komische manier in zijn film te verwerken.
Rambo 4 uit 2008 krijgt op IMDB 7,2 ster. Het is Sylvester Stallone, die niet alleen in zijn eigen film speelde maar hem ook schreef en regisseerde, niet gelukt om de kwaliteit van Rambo 1 ook maar enigszins te benaderen. Misschien had Rodriguez aan Stallone moeten uitleggen hoe hij het grafische geweld in Planet Terror had verwerkt en het hierin tot stijlelement wist te verheffen. Want het overdreven geweld in Rambo 4 dient geen enkel doel, het is ronduit ziekmakend.
Alle elementen die in een film worden verwerkt horen ten dienste van het verhaal te staan. Of geweld nu komisch, grafisch of afschrikwekkend bedoeld is, de visualisatie moet in de pas lopen met de presentatie. Zo wisten de Wachowski broertjes in de prachtige film Bound het geweld een gestileerde grafische schoonheid mee te geven en gebruikt Rodriguez het geweld in Planet Terror als komisch en historisch stijlelement. Hun scenes sluiten naadloos aan bij de verhaaltrent van de film. Stallone blijkt echter niet in staat om de juiste toon bij het verhaal te hanteren en het is hierdoor nog een hele opgave om zonder misselijk te worden Rambo 4 uit te kijken.
Het lijkt er sterk op dat een groot gedeelte van de westerse wereld aan een collectief ziektebeeld lijdt. Stress is normaal geworden. Was het vroeger nog iets voor managers, die aan stress leden omdat noch zijzelf noch niemand anders precies wisten wat zij deden, nu is er ook stress voor de man met de pet. En niet alleen meer op het werk, ook thuis, tijdens de vakantie, in de auto of zelfs in de rij bij de bakker gedragen mensen zich alsof ze er last van hebben. Op het werk wordt stress tegenwoordig zelfs verwacht. Als je er daar niet uitziet alsof je onder grote werkdruk gebukt gaat denkt men dat je het werk niet serieus neemt.
Waar zou dit toch door komen? Ik verdenk de managers van deze wereld ervan, zij waren het ten slotte die als eerste deze symptomen ten toon spreidden. En waarom waren en zijn managers zo gestrest? Door targets. Targets die aangeven wat en hoeveel iemand zou moeten doen. Bij veel bedrijven bestaat er nu een heel middenkader dat niets anders doet dan anderen vertellen wat zij moeten doen. Deze mensen stellen de targets op die anderen moeten halen. Maar veel van deze targets zijn dusdanig hoog geworden dat ze elke realiteitszin ontberen en ronduit beledigend zijn. Zoals alles zijn zelfs deze targets aan inflatie onderhevig en worden zij dus ook nog continu opgeschroefd wat natuurlijk tot nog meer stress leidt. Vandaag de dag heeft vrijwel iedereen targets, de bakker, de buschauffeur en zelfs de huisvrouw die vindt dat ze op één dag niet alleen de vloer in de was moet zetten maar ook de gordijnen moet kunnen wassen. We gaan als mens en samenleving langzaam kapot aan het feit dat we te allen tijde efficiënt en productief met onze tijd willen omgaan. We lijden aan collectieve stress en we doen er allemaal aan mee. Door al deze targets staan we continu op onze tenen. Maar wie op zijn tenen staat, staat niet lang.
Mensen kunnen tijd niet direct waarnemen, het is niet iets wat je kunt zien, horen, voelen of ruiken. We meten tijd af aan verandering. We plaatsen gebeurtenissen in een temporale context. Het één komt na het ander. Iets duurt kort of lang. Menselijke tijdsperceptie is altijd subjectief, wij hebben geen gekalibreerd orgaan waar we het verlopen van tijd mee kunnen meten. We weten zelfs nog steeds niet goed waar en hoe onze perceptie van tijd ontstaat.
Nu is algemeen bekend dat de subjectieve tijdsperceptie van oudere mensen duidelijk verschilt van die van jongeren. Voor ouderen lijkt de tijd steeds sneller te gaan. Dit wordt vaak toegeschreven aan hun biologische klok. Naarmate deze bij ouderen steeds langzamer gaat draaien lijkt de tijd sneller te gaan. Het is volgens mij echter vooral een zaak van geheugen en gebeurtenissen. Naarmate er meer gebeurtenissen tussen een bepaalde tijdsspanne liggen lijkt de tijdsspanne langer te duren. Dit fenomeen kom je vaak tijdens vakanties tegen. Een nieuwe stad, een nieuwe bakker, een vreemd terrasje en een halve dag in je vakantie voelt het alsof je al dagen weg bent. Het is onmiskenbaar dat jongeren een drukker leven hebben dan de meeste ouderen. Zij ervaren meer (nieuwe) gebeurtenissen dan ouderen, de tijd lijkt voor hen dus ook langzamer te verlopen. Daarbij komt nog dat een jaar voor iemand die er tien heeft geleefd een langere periode in verhouding tot zijn bestaanstijd is dan een jaar voor een tachtig jarige. Ook dit zal er voor zorgen dat een tijdsspanne in relatie tot het leven van een oudere korter lijkt. Als laatste heeft tijdsperceptie natuurlijk te maken met ons geheugen. Het geheugen van oudere mensen wordt steeds slechter en de consequentie is dat zij nieuwe gebeurtenissen steeds moeilijker opslaan. Oudere gebeurtenissen die zijn opgeslagen toen hun geheugen nog goed was worden hierdoor vaak makkelijker opgeroepen. Dit zorgt ervoor dat een oudere een gebeurtenis uit diens jeugd soms levendiger kan herbeleven dan een gebeurtenis die slechts een dag eerder is voorgevallen. Oudere gebeurtenissen lijken hierdoor dichterbij te staan en de tijdsspanne ertussen lijkt dus navenant korter.
Mijn Oma kon tegen het einde van haar leven zeer geanimeerd praten over haar jeugd. Toen op een avond mijn beide overgrootmoeders bij elkaar kwamen wisten ze zich gebeurtenissen en liedjes te herinneren van ver terug uit hun jeugd. Geen van hen wist echter nog wie er de dag daarvoor bij hun op visite was geweest.
lees ook travels with my aunt
Sommige van mijn kennissen hebben cavia’s. Ik heb onlangs een weekje voor zo’n beestje mogen zorgen. Ze doen echter niet veel. Ze knagen soms wat aan een stronk andijvie en verwerken deze dan tot veel meer keutels dan de andijvie alleen zou kunnen verklaren. Ze bewegen niet, maken amper geluid en reageren nagenoeg niet op mensen. Ik heb ze regelmatig op ademhaling gecontroleerd, het zal je tenslotte gebeuren dat zo’n huisdiertje net dood gaat als jij er voor zorgt. Maar ze zitten zo onder het haar dat ik geen hartslag, ademhaling of enig uiterlijk teken van leven kon ontdekken. Wat dat betreft is het goed dat ze non-stop keutelen dan weet je tenminste dat ze nog leven. Als je hun haarmatje (aan de voorkant, dus de kant die niet keutelt) enigszins opzij veegt kom je twee glanzend zwarte oogjes tegen. Deze bewegen en knipperen niet. Het zijn kleine zwarte kraaltjes zonder oogwit, ze kijken ermee naar een niet nader te bepalen hoek in de kamer. Al met al spreekt er meer intelligentie en leven uit de plastic oogjes van mijn zoons knuffelbeer dan uit die van een cavia. Samenvattend kun je stellen dat cavia’s alleen maar kunnen keutelen. Alsof ze zichzelf bewust zijn van hun eigen nutteloosheid draaien ze zich af en toe eens om en eten ze hun eigen keuteltjes weer op. Dit is dan ook de enige verklaring die ik heb kunnen vinden voor het fenomeen dat cavia’s blijkbaar uit het niets meer keutels kunnen produceren dan alleen met de inname van hun voedsel valt te verklaren.
Je zou je dus kunnen afvragen waarom cavia’s überhaupt ooit gedomesticeerd zijn. Dit is lang geleden door de Inca’s gedaan. Ook nu nog worden cavia’s in landen als Peru gehouden. Hier leven ze in een gat in de vloer waar ze de restjes van hun baasjes te eten krijgen. Als de cavia dan enigszins is gemest wordt hij gekeeld en bereikt hij zijn uiteindelijke nut. Als maaltijd. Ze schijnen naar varken te smaken. Vandaar waarschijnlijk ook hun naam, Guinees biggetje.
Wetenschappers hebben ontdekt dat het vliegvermogen van insecten is ontstaan vanuit zwembewegingen. Insecten kunnen vliegen omdat zij “zwembewegingen” in de lucht maken. Toen ik dat las trok er een golf van herkenning door mijn borst en benen, ik had het altijd al geweten. Geweten en niet gedacht!
Als kind had ik nog het vermogen om te dromen dat ik kon vliegen, iets wat ik op latere leeftijd helaas ben verleerd. Naarmate ik ouder werd kwamen deze dromen steeds minder tot ze op een gegeven moment zo schaars werden dat ik dit droomvermogen volkomen ben vergeten.
Ik begon altijd met een klein sprongetje in de lucht, deze eerste afzet was belangrijk. Als de afzet niet krachtig genoeg was kwam ik niet hoog genoeg om van de grond los te komen. Als ik het te snel deed had ik geen tijd meer om mijn benen te spreiden voor de eerste beenslag. Die eerste paar beenslagen (rondje, kontje, boem) zorgen voor de belangrijkste stijging. Het was watertrappelen van Olympische proporties. Dit koste enorm veel kracht en concentratie maar als ik eenmaal op een bepaalde hoogte kwam kon ik een beetje naar voren leunen en overgaan op schoolslag. Hierbij verloor ik soms weer hoogte en dan moest ik weer even watertrappelen om niet neer te storten. Meestal vertrok ik vanaf de galerij op de vierde verdieping, voor mijn slaapkamer. Omdat ik alleen kon vliegen als ik sliep was het altijd donker als ik vloog. Maar dat vond ik niet erg. Het zag er nog niet helemaal soepel uit en ik wilde niet dan men mij zou uitlachen. Als de wind goed stond vloog ik over de sloot heen naar het parkje achter onze flat. Daar kon ik dan over de donkere bomen heen naar de andere flats toe vliegen. Soms ging het zo goed dat ik zelfs langs de verlichte woonkamerramen van deze 14 verdiepingen hoge flats kon vliegen. Als ik geluk had kon ik dan ongezien naar binnen kijken. Maar het was hard werken en ik hield het nooit lang vol, na enkele minuten moest ik alweer terug anders had ik niet meer genoeg energie over om op mijn galerij te kunnen landen. Als dat niet lukte moest ik namelijk met de trap omhoog en beneden bij de ingang stonden altijd vervelende jongens met brommers die me pestten. Als het even kon ging ik dus liever niet alleen met de trap. De volgende ochtend was ik bekaf en meestal ook behoorlijk bezweet, van de inspanning natuurlijk.
Vliegen kost veel energie.
In het Noord-Hollandse Duinreservaat kwam ik een flink aantal dode duinhagedissen tegen. Allemaal waren ze zichtbaar verwond, vermoedelijk door een vogel. Normaal zijn ze groen gekleurd met een bruine rugstreep. Sommige van deze hagedissen hadden een duidelijke blauwe kleur. Vaak werd er gedacht dat dit een aparte kleurenvariëteit is. Hagedissen kunnen als ze dood zijn echter blauw verkleuren. Dit gebeurt meestal onder invloed van zonlicht.
Aan zee ligt de horizon altijd hoger dan je hem verwacht. Alsof de zee vanaf de scheidslijn tussen water en zand niet vlak ligt, maar schuin omhoog kantelt naar de hemel.