Of dit mijn vroegste herinnering is, weet ik niet zeker, wel dat het een hele oude is. Over het algemeen volgt mijn geheugen zijn eigen logica en werkt het niet chronologisch. Ik weet echter dat hij oud is omdat dat het plaatsvond in het huis waar ik ben geboren. Eigenlijk is het ook niet echt één herinnering, maar eerder een herhaling van steeds dezelfde gebeurtenis. De herinneringen betreffen het glasgordijn in de slaapkamer van mijn ouders. Daar hingen witte vitrages van het plafond tot op de vloer. Hun slaapkamer kwam uit op het balkon, we woonden op vier hoog op een flat aan de rand van de stad. ’s Zomers viel het licht altijd door de balkondeur naar binnen. Je kon door de vitrages dan niet naar buiten kijken, het witte vlak dat het zonlicht op het dunne gaas projecteerde, bleekte al het andere uit. Als het warm was stond de balkondeur altijd open, de wind liet de vitrages dan zachtjes bewegen. Telkens als er elders in het huis een deur werd geopend vlogen de vitrages omhoog. Door de trek werden ze als door een enorme adem teug de kamer ingezogen. Het licht overstroomde dan de ruimte. Als de deur werd gesloten, gleden de gordijnen met een hoorbare zucht terug en namen ze het licht weer mee.