Ik kan heel goed tegen kietelen, mijn partner en zoontje daarentegen niet. Zij kunnen zelfs zo slecht tegen kietelen dat als ik alleen al met een grijns op mijn gezicht bij hen in de buurt kom, ze al gaan lachen. Pavlov ten top. Het rare is dat ik wel heel goed tegen stevig kietelen kan, maar helemaal gek wordt van het wasmerkje van mijn trui. Door dat irritante zachte gekietel lopen de rillingen over mijn rug, ik moet er echter nooit door lachen. Maar ook als ik naar een natuurdocumentaire over mieren, luizen, vlooien, spinnen of pissebedden kijk, voel ik dat gekriebel over mijn lijf, het is dan bijna onmogelijk om niet te gaan krabbelen. En wat blijkt, dat gekrabbel is besmettelijk. Als er iemand naast je zit te krabbelen doe je vanzelf mee. Misschien stamt dat nog uit de tijd dat we elkaar vlooiden, maar net als geeuwen is krabbelen zo besmettelijk als de neten.

 

Als ik mezelf zachtjes kietel kan ik wel rillingen en een krabrespons oproepen maar mezelf aan het lachen kietelen is me nog nooit gelukt. Iemand met stevig kietelen aan het lachen maken kan blijkbaar alleen bij een ander. En net als bij elke marteling zit die magie niet in het toebrengen van pijn of genot maar in de macht om het te stoppen.

 

Lees ook: Blozen.