Of je het nu metro, tube, subway of underground noemt, het klimaat in al deze ondergrondsen is hetzelfde. Onafhankelijk van het weer in de wereld erboven waait het er altijd. Een droge muffe lucht slaat je bij de ingang van de metro in het gezicht, alsof ze je eigenlijk het liefste weer naar buiten zou duwen. Met toegeknepen ogen worstelen mensen zich tegen deze föhn in naar beneden en zoeken hun weg door het labyrinth van gangen en trappen. Terwijl de wind zich in hun longen nestelt, haasten zij zich voort. Oppervlakkig ademend zoeken ze hun perron. Voortbewogen door treinwagons die als zuigers in injectiespuiten zich met grote haast door de smalle tunnels heen persen krijgt de wind een steeds hogere snelheid. Een zuurstofarme lucht vol van betonstof en vuil fluit tussen de tunnels en slaat de passagiers op de perrons in hun gezicht. Als ze aan het einde van hun reis via een smalle trap eindelijk weer naar boven kunnen, geeft deze wind ze nog een duwtje mee, alsof ook de wereld onder de stad niet echt gelukkig is met al die bezoekers, met de verstoring van al dat stof en al dat vuil.

 

Lees ook: Het hoekje om.