Ik moest er laatst aan denken. Als je uit het water kwam, met je schouders opgetrokken, liep je met stijve benen naar je handdoek, een kleurig eiland van warmte. Je ging snel op je buik liggen met beide armen onder je. Meestal was het te druk of kwam je net te laat. Dan lag je aan de verkeerde kant van het veld, in de schaduw van de hoge bomen en struiken die het zwembad van de weg afscheidde. Als je geluk had, lag je uit de wind en in de zon, dan was je zo weer warm. Als je je dan omdraaide kwam je droge rug op de koele vochtige vlek die je natte lichaam op de handdoek had achtergelaten. Met je ogen dicht keek je omhoog, naar de kleuren achter je oogleden. Af en toe kwam er een wolk voorbij en voelde je de temperatuur zakken. Als de schaduw voorbij was leek het alsof de wereld opzwol. Met stijf dichtgeknepen ogen vulde het warme licht je hoofd. Pas als je helemaal was opgedroogd en de warmte begon te branden, draaide je je weer om. De kleuren achter je ogen bleven, ook als je ze opende. Het duurde even voor je weer goed kon zien.

 

Als je naar het water liep was je op je hoede. Terwijl je jezelf tussen ontelbare eilandjes door manoeuvreerde keek je goed op de grond. Want als je niet uitkeek trapte je in iets scherps. Zo was ik een keer bijna de kleine teen van mijn linkervoet kwijtgeraakt. Na een korte scherpe pijn, bijna alsof iemand me kietelde, zakte ik door mijn benen. Pas toen ik zat en merkte dat ik mijn voet vasthield kwamen de pijn en het bloed.

 

Van mijn ouders kregen we altijd wat te snoepen en wat zakgeld mee. In een klein kraampje kon je daar een ijsje of een koud blikje fris voor kopen. Als je dat blikje opentrok, spatte de koude druppels als het vuur van een sterretje tegen je handen omhoog. Het lipje gooide je weg. Hoewel we wisten dat dat gevaarlijk was deden we het toch. Soms speelden we er eerst nog mee. Je kon het scherpe druppelvormige stukje blik van het ringetje breken. Omdat daar twee kleine gleufjes inzaten, kon je het lipje daar insteken en door het naar achter te trekken het ringetje als een klein draaiend ruimteschip wegschieten. Als je het goed deed haalde je daar soms wel zes meter mee en als je heel goed mikte misschien zelfs wel één van de meisjes op het volgende eiland.

 

Het zwembad lag bezaaid met deze blinkende scheermesjes. Voor de ringetjes hoefde je niet bang te zijn, veel meisjes droegen die als een trofee aan hun vinger. Het waren de kleine blikken tongetjes die zo gevaarlijk waren, verstopt tussen het gras waren ze moeilijk te zien. Ik kan me niet herinneren dat we er een naam voor hadden maar iedereen wist wat het was. Later werden ze vervangen door lipjes die je in het blikje moest drukken. In plaats van je tenen waren nu je vingers in gevaar. Tegenwoordig gebruiken we kleine hefboompjes. Het lipje blijft nu aan het blikje en je kunt je niet meer snijden. Tot ver in de jaren zeventig waren de treklipjes echter immens populair, het is een raar idee dat mijn zoontje nooit zo’n ringetje zal wegschieten of het gevoel van overwinning zal kennen als een meisje dat ringetje aan haar vinger draagt.

 

Lees ook: Twijfels in het donker en De geur van mijn vader.